Van Oorschots wensen vervuld in Tirade 400

Het is bijna dertig jaar na dato moeilijk te beoordelen hoe vals de bescheidenheid was die G.A. van Oorschot tentoonspreidde in het 200ste nummer van Tirade. Van Oorschot, op dat moment de enige redacteur, beweert jaarlijks te twijfelen of hij zijn ,,aardige en leesbare'' blad een volgend levensjaar zal gunnen. Uitstekend is Tirade immers nooit geworden, al schemert door de zinnen van de uitgever de gedachte dat dat zijn schuld niet is. Hij vreest dat er weinig schrijvers zijn die bereid of in staat zijn om zijn gedroomde tijdschrift te maken en ,,als ze er zijn heb ik het nooit gemerkt en dan zijn ze er ook eigenlijk niet''.

Het meest in het oog springend was een lijst met 31 onderwerpen waarover in Tirade geschreven zou moeten worden, zoals ,,de verhouding van de overheid tot de kunst'', ,,het nut en of de wenselijkhied van subsidies en literaire prijzen over de domme en geborneerde literaire naschrijf-kritiek in dag- en weekbladen'', ,,het uitsterven van de bibliofiel'' en ,,de overschatting van Hoornik''.

De redactie van Tirade heeft voor het vierhonderdste nummer onder het aan Van Oorschot ontleende motto `Minzaam aanbevelend' besloten precies die lijst van onderwerpen te volgen. Het nadeel van die opzet is dat sommige onderwerpen hun urgentie enigszins hebben verloren (zoals de politiek-ideologische strijd aan de letterenfaculteiten), andere in hun tegendeel zijn omgeslagen (,,het bijna ontbreken in onze literatuur van de biografie'') en weer anderen van oorspronkelijke provocatie zijn verworden tot het versleten stokpaardje van een verouderde protestgeneratie (,,de poëzie van Bob Dylan''). De stukken hoeven daar echter niet slechter van te worden: Wouter van Oorschot vertelt niet alleen hoe het precies zat met Dylan, hemzelf en zijn vader (,,wie geloven wil dat hij [Van Oorschot] toch heus bij Dylans eerste concert op Nederlandse bodem aanwezig was, zal dit van mij moeten aannemen''), maar gaat ook uitgebreid in op de teksten van de zanger.

Voor nummer 400 van Tirade geldt wat Van Oorschot zelf van zijn blad vond: het is veel, het is leesbaar en af en toe is het echt goed. Daarbij zijn de stukken die over literatuur en schrijvers gaan vaak net wat beter dan de andere bijdragen. Met de tirade van Robert Anker tegen het literatuuronderwijs kun je het moeilijk oneens zijn, maar zijn stuk beweegt zich langs veelbetreden paden. Aukje Holtrop schrijft dat het nut van de streekroman is ,,dat hij van mensen lezers maakt''.

Daartegenover staan mooie stukken over echte schrijvers, zoals een brief van Manon Uphoff aan Belle van Zuylen (,,U schreef met bloedende vingers lijkt het, en een zelfbeheersing die past bij een pianist of violist''), een betoog van Rutger Kopland over Jan Hanlo en de paradox, een essay van Thomas Vaessens met een aardige invalshoek (,,Gerrit Komrij is een beetje de Mat Herben van de Nederlandse poëzie'') en o.a. Arnon Grunberg. Hij schrijft over ,,de verontrustende neergang van een groot literair talent (G.K. van het Reve)'', al blijft de toevoeging tussen haakjes onderbelicht.

Tirade, nummer 400, september 2003. Uitg. Van Oorschot, 256 blz. €17,50. Vrijdag vindt er in De Balie in Amsterdam een avond over de vierhonderdste `Tirade' plaats. Inl. 020-5535100.