`Steunbeleid film geen blijvend succes'

Het rijksbeleid ter bevordering van de Nederlandse speelfilm heeft niet geleid tot een blijvende verbetering van de sector. De hoofddoelstelling van het beleid, het ontstaan van een ,,economisch levensvatbare'' filmindustrie, is niet gehaald.

Dat zijn de belangrijkste conclusies van een evaluatie van adviesbureau Berenschot, dat onderzoek deed naar het filmstimuleringsbeleid waarvoor het rijk in de jaren 1999-2003 zo'n 200 miljoen euro uittrok.

Berenschot maakt daarbij wel de aantekening dat de hoofddoelstelling, door de politiek in 1997 geformuleerd, niet realistisch was: zelfs in Engeland kan de filmsector nog niet op eigen benen staan. Twee van de drie sub-doelstellingen van het stimuleringsbeleid zijn wel gerealiseerd volgens het Berenschot-rapport: het aantal geproduceerde Nederlandse films is in die vijf jaar gestegen en het commerciële succes is groter dan ooit. Het aandeel van Nederlandse speelfilms in het aantal bioscoopbezoeken steeg van een schamele 5 in 1997 naar boven de 11 procent in 2002. En het aantal films dat aan die opleving bijdroeg is ook groter dan in tijden dat een enkele klapper als Schatjes! het beeld bepaald. In 2001 haalden de met fiscale voordelen geproduceerde films Minoes, The Discovery of Heaven en Nynke allemaal een half miljoen bezoekers of meer. De derde sub-doelstelling, het ontstaan van grotere filmbedrijven, is niet gehaald. Volgens Berenschot is niet aannemelijk geworden dat de verbeteringen een structureel karakter hebben.

Het rapport moest vandaag naar de Tweede Kamer worden gestuurd. De Kamer had voor de zomer in een motie om deze evaluatie gevraagd, om na prinsjesdag te kunnen beslissen of de fiscale steunmaatregelen voor de filmsector geprolongeerd moeten worden. Rond het middaguur was het rapport nog niet verstuurd, omdat de drie betrokken ministeries – Financiën, Economische Zaken en OCenW – het niet eens waren over de tekst van de begeleidende brief. Volgens bronnen in Den Haag willen Financiën en EZ een verlenging van de fiscale maatregelen uitsluiten, maar probeert staatssecretaris M. van der Laan van OCenW de Kamer ruimte te laten om die verlenging alsnog af te dwingen. Een meerderheid van de parlementariërs wil de fiscale voordelen voor film voorlopig in stand houden, omdat de regeling door tussentijdse aanpassingen feitelijk niet de volle vijf jaar van kracht is geweest. Het kabinet heeft in het regeerakkoord al te kennen gegeven dat de regeling op 31 december moet eindigen.

Het stimuleringsbeleid, waar de drie ministeries in 1998 hun fiat aan gaven, behelst een pakket maatregelen om de filmindustrie een financiële injectie te geven. De meest in het oog springende voorziening was het fiscale voordeel voor particulieren die wilden investeren in Nederlandse films, `cv-regeling' genoemd, naar de commanditaire vennootschap die de film produceert. Deze regeling was bedoeld om particulieren ertoe te brengen hun `durfkapitaal' in films te steken.

In het eerste jaar van de cv-regeling, 1999, is dat massaal gebeurd – zodat er veel meer belastinginkomsten werden gederfd dan het ministerie van Financiën had voorzien. Hierop zijn de eisen verder verscherpt. De laatste jaren was er een maximum van 25 miljoen euro gesteld aan de regeling. Dat bedrag is vorig jaar niet eens opgehaald door de filmproducenten, zo streng waren de regels geworden.