Op zoek naar de perfecte race

Bewegingswetenschapper Jos de Koning hoopt over vier jaar over modellen te beschikken waarmee schaatsers een volmaakt resultaat kunnen bereiken. Die aanpak heet pacing en moet voor een nieuwe revolutie zorgen.

Geen schaatser heeft ooit de perfecte race gereden, simpelweg omdat hij niet weet welke strategie hij moet toepassen. Daarvoor ontbreekt het hem aan de vereiste, gedetailleerde informatie. Zijn kennis is dermate gefragmenteerd dat hij hooguit de ideale race kan benaderen. Bewegingswetenschapper dr. Jos de Koning van de Vrije Universiteit in Amsterdam is bezig met een onderzoek, dat moet leiden tot modellen waaruit een schaatser kan afleiden hoe hij zijn race moet indelen om tot het volmaakte resultaat te komen. Dat begrip heet pacing, vrij vertaald verdelings- of wedstrijdstrategie.

Het onderzoek, dat De Koning in samenwerking met zijn Amerikaanse collega Carl Foster van de universiteit van Wisconsin-La Crosse uitvoert, is dermate gecompliceerd dat er na twee jaar onmogelijk conclusies zijn te trekken; pas over vier jaar hoopt hij zijn modellen te kunnen toepassen. Tijdens een lezing voor de Vereniging voor Bewegingswetenschappers Nederland (VvBN), vorige week in Utrecht, verzuchtte De Koning aan het eind van de avond: ,,We hebben aardig wat dingen ontdekt, maar we begrijpen er eigenlijk nog geen snars van.''

De Koning heeft daarom nog steeds geen antwoord op de vraag of een winnaar de beste of de slimste is. Eén (voorzichtige) bevinding wijst erop dat een schaatser op de 1.500 meter de eerste twaalf seconden na de start het best voluit kan gaan om vervolgens zijn energie gelijkmatig te verdelen. Maar leer een schaatser daar in de praktijk maar eens mee om te gaan. Zijn natuur en fysieke kenmerken vragen soms een andere benadering. Meervoudig olympisch kampioen Adne Søndral uit Noorwegen begon een 1.500 meter voorzichtig en reed de laatste ronde voluit. Jochem Uytdehaage is kampioen van de regelmaat. En Erben Wennemars explodeert na het startschot om vervolgens niet meer tot rust te komen. Van die laatste schaatser zegt De Koning: ,,Als Wennemars conservatiever zou beginnen, bijvoorbeeld zoals Ids Postma, durf ik te beweren dat hij nog beter zou zijn.''

Een optimale prestatie is afhankelijk van de factoren energie, vermoeidheid en techniek. Over elk onderdeel afzonderlijk hebben sporters en coaches veel kennis. Maar die is veelal verborgen en bovendien ontbreekt de samenhang. En voor een wetenschapper is het vervolgens moeilijk om over die relatie betrouwbare informatie te krijgen.

De Koning: ,,Een schaatser laat zich het liefst niet meten tijdens een race om het wereldrecord. Het is moeilijk om die sportspecifieke omstandigheden na te bootsen. We hebben gewerkt met proefpersonen die diverse afstanden fietsten en met schaatsers die alleen de 1.500 meter reden. De verschillen onderling bleken gering. Een probleem was evenwel dat bij de testen geen van de proefpersonen met hun anaërobe vermogen (zonder zuurstof plaatsvindend, red.) op nul uitkwam. Er bestaat schijnbaar een mentaal bewakingssysteem waarmee wordt voorkomen dat het hart bezwijkt.''

Complicerende factor is dat een schaatser voor zijn optimale prestatie niet alleen afhankelijk is van de combinatie om vermogen te generen en energie te besparen. Zijn houding is minstens zo bepalend. Hoe dieper de zit, des te beter de afzet waarmee de wrijvingskracht kan worden gereduceerd. Het nadeel van een diepe zit is evenwel een beperking van de bloedstroom, die weer bepalend is voor spierkracht. De Koning: ,,Met goede modellen kunnen we op grond de vermogensproductie en het vermogensverlies de snelheid uitrekenen. We kunnen ook de ideale romp- en kniehouding bepalen. Het grote probleem is de relatie tussen het aërobe (zuurstof behoevend, red.) en het anaërobe systeem aan de weet te komen.''

In tegenstelling tot andere sporten blijkt het figuur van een schaatser vooralsnog weinig invloed op het resultaat te hebben. De sprinters Hiroyasu Shimizu en Jeremy Wotherspoon zijn qua postuur elkaars tegenpolen, maar beiden zijn grote kampioenen. Maar naar gelang de kennis over pacing toeneemt, sluit De Koning niet uit dat de lichaamsbouw van een schaatser een belangrijke factor voor zijn prestatie zal worden.

Hoewel de wetenschappelijke grondslag nog ontbreekt, zijn er wel signalen dat De Koning op het goede spoor zit. Hij wijst onder andere op de berekening die hij voor de Winterspelen van 2002 heeft gemaakt over de mogelijkheden op de olympische schaatsbaan van Salt Lake City. ,,Een vergelijking met de baan in Calgary, die 400 meter lager ligt, leerde ons dat er op de 1.500 meter een tijd van 1.43,75 haalbaar moest zijn. De Amerikaan Derek Parra won in 1.43,95, dus zo ver zaten we er niet naast. Daaruit blijkt ook dat de prestatie sterk afhankelijk is van de plaats.''

De Canadese schaatsers hebben dat, volgens De Koning, ervaren in 1998, toen zij na een ideale voorbereiding in Calgary op de laag gelegen baan van Nagano bij de Olympische Spelen slecht presteerden. ,,Je kunt algemeen stellen dat een schaatser onder zware omstandigheden conservatief moet rijden. In Salt Lake City op een hoogte van ruim 1.400 meter blijf je door de lagere luchtweerstand als het ware glijden. De Amerikanen zullen over twee jaar bij de Spelen in het laaggelegen Turijn merken hoe groot dat verschil is. Zij willen in Salt Lake City met ventilatoren de omstandigheden in Turijn nabootsen. Op hun verzoek heb ik uitgerekend hoeveel tegenwind daarvoor geproduceerd moet worden.''