Ondertussen in Irak

In Nederland werd niet zo lang geleden nog fel gediscussieerd tussen voor- en tegenstanders van de oorlog tegen Irak. Na het einde van die oorlog waren het voornamelijk de voorstanders die zich triomfantelijk op de borst klopten. Hun gelijk was bewezen. Anders dan veel tegenstanders van de oorlog hadden voorspeld, was de strijd noch langdurig, noch al te bloedig geweest. Zonder noemenswaardige problemen of tegenstand had men Saddam Hussein verdreven. Zie je nu wel, stelletje softe linkse zeveraars. Wij, voorstanders van de oorlog, hebben door een beetje ruggengraat en vertrouwen in Bush te tonen een dictatuur laten verdwijnen, klonk het op de onmiskenbaar jennende toon van de gelijkhebber. Wie ooit moeilijk over de oorlog deed of achteraf zo flauw was te zeuren over de wijze waarop die werd gelegitimeerd (er waren geen massavernietigingswapens), werd als dom, laf en goedgelovig gekenschetst of anders wel van totalitaire sympathieën verdacht. Ieder weldenkend mens moest toegeven dat de oorlog een succes was.

Terwijl de voorstanders van de oorlog zich nog altijd wentelen in hun eigen gelijk en de meeste tegenstanders er een beetje onzeker het zwijgen toe doen, is in Irak de naoorlogse periode aangebroken. Hoe is het daar nu? Vorige maand bezocht Zuster van de Voorzienigheid Yosé Höhne-Sparborth in opdracht van de Raad van Kerken en Kerk en Vrede, Irak. In dezelfde periode bezocht ook Feisal Nasser, voorzitter van het Iraaks Platform, het land. In de zojuist uitgekomen brochure van Kerk en Vrede, Er zal geen schaduw zijn. Bericht van een hete zomer en kleine perspectieven in Irak wordt verslag gedaan van hun bevindingen. Nasser bezocht Bagdad en het relatief veilige en rustige zuiden van Irak. Zijn indruk was dat onder de Irakezen een voorzichtig optimisme heerst. Höhne-Sparborth was in Bagdad en reisde naar het noorden. Aan haar werd, door de mensen die ze sprak, verteld dat men zich vooral wanhopig en uitgeput voelde. Vóór Saddam was er een perspectief en nu is alles uitzichtloos geworden, vertelde een voor het Rode Kruis werkzame Irakees haar.

Dit verschil in beleving van mensen in het noorden en het zuiden van Irak, vond Höhne-Sparborth ook nog elders terug. Zij observeerde dat Irakezen die op beschouwend en analyserend niveau werken, zoals priesters of journalisten, vooral van mening zijn dat de naoorlogse periode een enorme verbetering is ten opzichte van de vooroorlogse periode. Men kan nu spreken en schrijven zonder angst. Irakezen die vooral in het sociale veld werkzaam zijn, voelen zich na de oorlog juist wanhopiger dan voorheen omdat ze te maken hebben gekregen met nog slechtere condities om te overleven dan onder het embargo dat sinds 1991 tot de oorlog bestond.

Wanhopig of optimistisch, wat overeenkomt is dat de Amerikanen door de meeste Irakezen vooral als bezetters worden gezien. Ook zijn niet alle Irakezen van mening dat de gebruikte militair-technische overkill nodig dan wel wenselijk was om tot een bevrijding van Irak te komen. Uit het verloop van de oorlog is af te leiden dat Saddam Hussein lang niet zo machtig (meer) was als in de aanloop tot de oorlog door een aantal invloedrijke leden van de internationale gemeenschap werd beweerd. Hij had niet zoveel steun als men dacht en zijn officieren lieten hem al spoedig in de steek doordat zij, zo luidt een veel gehoorde verklaring, door de Amerikanen waren omgekocht.

,,We hadden van binnenuit Saddam ten val moeten brengen; het had gekund'', concludeert een arts uit Bagdad dan ook teleurgesteld. ,,De Amerikanen hadden de officieren kunnen omkopen om ons dan zelf dat werk te laten doen. Of ze hadden een fractie van de huidige oorlogskosten kunnen investeren in clandestiene bewapening van het volk. Nu zijn de banktegoeden bevroren, dat had men veel eerder kunnen doen. Het enige geld op onze banken dat waarde heeft zijn dollars. Men had de dollarstroom naar Irak kunnen bevriezen.''

Hoe interessant ook, de vraag hoe de Irakezen zich thans voelen is niet van het meest doorslaggevende belang voor het beantwoorden van de vraag of de oorlog tegen Irak al dan niet gelegitimeerd was. Het is nog maar vlak na de oorlog en wederopbouw kost nu eenmaal tijd. Wat deze oorlog aan Irak voor voordelen gebracht heeft, kan daarom pas over vijf of tien jaar duidelijk worden. Belangrijker dan onze vragen naar de legitimiteit van onze bijdrage aan het beëindigen van een schrikbewind, is het signaleren van een nieuwe dreiging. Die bestaat eruit dat Irak vermorzeld wordt door twee krachten die bij elkaar horen en tegelijkertijd als in een scharende beweging op elkaar inwerken. Zo zijn er Europeanen die aan de democratisering van Irak willen bijdragen vanuit de veronderstelling dat Irakezen te onervaren, en mogelijk door de jarenlange dictatuur waarin zij leefden zelfs te onnozel zijn om dit proces zelf vorm te geven. En er zijn Amerikanen die voor de wederopbouw van Irak hulpvaardig hun hele eigen bedrijfsleven mobiliseren maar daarmee de laatste restanten van de autochtone nijverheid (denk aan de bouw) pletten. Oftewel doorgewinterde kolonialen met ethische aspiraties enerzijds en veroveraars zonder koloniale talenten anderzijds. En dat is nog niet eens alles.

Er zijn namelijk ook nog verlichte geesten die onder verwijzing naar het democratisch ideaal (waar het uiteindelijk toch allemaal om te doen was) roepen dat er zo snel mogelijk, het liefst al volgend jaar, verkiezingen in Irak moeten worden gehouden. Ik probeer me voor te stellen hoe dat zal uitwerken in het `reëel bestaande Irak', waar tussen alle chaos, wetteloosheid, criminaliteit, aanslagen, religieuze en etnische spanningen, mensen uit zeer verschillende gelederen elkaar voorzichtig opzoeken en proberen te verstaan. Onder dergelijke delicate omstandigheden beginnen met een verkiezingscampagne, is zoveel als vuur bij een lont houden. Het laatste wat Irak nodig heeft, zijn zich sterk profilerende partijen die een machtsstrijd aangaan. Als Irak een toekomst heeft, dan ligt deze in de samenwerking van allen. De Irakezen zelf bezitten de wijsheid om dat te begrijpen. De val van Saddam Hussein was een soort van collateral profit. Geve Allah dat de wijsheid van de Irakezen door Bush niet ervaren wordt als collateral damage.