Marokko vreest imago van terreurland

De afgelopen dagen vielen in Marokko opnieuw slachtoffers bij aanslagen. De vrees groeit dat extremistische terreur niet langer een uitzondering is.

Donderdagavond werd Albert Revivo, een 55-jarige joodse houthandelaar, doodgeschoten door twee gemaskerde mannen toen hij zijn winkel in het centrum van Casablanca afsloot. De daders ontkwamen in een klaarstaande Mercedes. Zaterdag werd Eli Afrat, een 75-jarige joodse man, doodgestoken voor de deur van zijn huis in Meknès. Ook hier wist de dader te ontkomen.

De moorden hebben tot grote commotie geleid tegen de achtergrond van de zelfmoordacties van 16 mei in Casablanca, waarbij 45 doden vielen. Hierbij behoorde een joodse vereniging en het joodse kerkhof tot de doelwitten. Waar eerder wel werd gesproken van afrekeningen, sprak het journaal van de staatstelevisie ditmaal van ,,racistische moorden''. De 3.500 man sterke joodse gemeenschap wordt gekoesterd als voorbeeld van vreedzame samenleving in een islamitisch land.

De moorden kwamen voor de autoriteiten op een uiterst pijnlijk moment. Vrijdag werden de gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Daarbij wist de moslimpartij PJD voor de eerste maal uit te groeien tot een van de belangrijkste politieke spelers in de grote steden. In publicaties van de PJD waren in het verleden regelmatig aanvallen te lezen op de joodse gemeenschap. Maar onlangs voelde de partij zich verplicht om officieel te laten weten dat joodse burgers gelijkwaardig zijn. De moorden werden onomwonden veroordeeld door vice-partijsecretaris Saâd Eddine Othmani, het gematigde gezicht van de partij.

Pijnlijk ook was dat juist afgelopen week de directeur van de Nationale Veiligheid, generaal Hamidu Laanigri, tijdens een etentje met de ambassadeurs van de Europese Unie geruststellende woorden had gesproken over de bestrijding van terreur. Er is de autoriteiten veel aan gelegen om het imago van een vreedzaam land te bewaren in verband met de ambitieuze plannen voor de toeristenindustrie en de daarbij behorende buitenlandse investeringen.

Extremistische moslimgroeperingen, daarbij aangevuurd door haatpreken vanuit sommige moskeeën, lijken zich echter behalve op joodse doelen ook steeds meer te richten op westerse doelwitten en de gematigde moslimmeerderheid. Maandenlang waren tirades te lezen in de persorganen gelieerd aan de PJD tegen drank, toerisme, seksuele losbandigheden en westerse culturele invloeden. Nadat bij de aanslagen in mei reeds verreweg de meeste doden vielen in een Spaanse club, werd het toeristencentrum Agadir deze zomer getroffen door twee aanslagen die zorgvuldig uit de media werden gehouden. Eerst werd een Française gedood; volgens sommigen door een radicale moslim, hoewel consulaire bronnen spreken van een tasjesroof. Enkele dagen later werd de bar van een camping aangevallen waar alcohol werd geschonken; zes mensen werden hierbij gewond, een werd gedood, waarna de dader zichzelf om het leven bracht.

Zeker even verontrustend was de arrestatie eind vorige maand van de tweeling Sanae en Imane Laghrissi (13 jaar), die samen met een vriendinnetje zouden zijn geronseld voor zelfmoordaanslagen. Een van de meisjes verklaarde voor de rechter dat zij zichzelf wilden opblazen in een supermarkt en dat er plannen waren om het parlement aan te vallen.

Na de aanslagen van 16 mei lijkt in Marokko niets meer zeker. ,,Blijf van mijn land af'', valt in een grote advertentiecampagne te lezen langs de wegen onder de hand van Fatima, bekend symbool in Marokko om het onheil te bezweren. Politici en woordvoerders herhalen keer op keer dat terreur ,,vreemd is aan onze cultuur''. Vrijwel de meeste arrestanten in verband met de aanslagen in Casablanca, inclusief de vier hoofdverantwoordelijken die ter dood werden veroordeeld, zijn evenwel van Marokkaanse afkomst. Sinds mei werden volgens schattingen van de Marokkaanse mensenrechtenorganisatie AMDH ,,enkele duizenden'' arrestaties verricht.

De terreur wordt officieel toegeschreven aan de `Salafistische Jihad'. Daarachter gaan tientallen verschillende moslimbewegingen schuil, die thuishaven lijken te bieden aan een mengeling van extremisten en avonturiers. Gisteren werd het proces afgerond tegen een van deze cellen, die werd geleid door de Fransman Pierre Robert. Onder leiding van de tot de islam bekeerde Robert vocht de groep voor een radicaal-islamitische staat met het stadje Chefchouen in de Rif als hoofdstad. Gisteren werd de doodstraf geëist tegen Robert en vier anderen.

Activisten hebben reeds gewaarschuwd dat de burgerlijke vrijheden onder zware druk staan. ,,Willekeurige arrestaties, intimidaties, bedreigingen en zelfs martelingen'', zo vat AMDH-woordvoerder Mohamed el-Boukili de toenemende schendingen van de mensenrechten samen. Anderzijds wordt de overheid verweten veel te weinig in de gaten te houden wat de radicale imams in de moskeeën prediken. De veroordelingen hebben de discussie doen oplaaien over de doodstraffen, die al jarenlang geen praktijk meer waren. Minister van Justitie Mohamed Bouzoubaâ, tot dusver tegenstander van de doodstraf, liet weten dat voor terroristen andere normen gelden dan voor gewone moordenaars. ,,Iemand die een misdaad tegen de maatschappij als geheel onderneemt twijfelt niet om onschuldigen te doden. Moet hij onder dezelfde regels worden beoordeeld als een ordinaire misdadiger?''