Een onveilig gevoel

Veiligheid domineerde de politieke agenda vorig jaar. De politiekorpsen moeten nu waarmaken wat de politici beloofden.

Het onbehagen van de Nederlandse burger, dat tot uitdrukking kwam in de revolte van 2002, sproot voort uit het toegenomen gevoel van onveiligheid in de samenleving. Dat gevoel werd niet door cijfers onderbouwd. Het Centraal Bureau voor de Statistiek constateerde vorig jaar juni bijvoorbeeld dat de reële kans om slachtoffer te worden van inbraak of autodiefstal sinds 1995 was afgenomen. Het percentage van de bevolking dat te maken kreeg met inbraak daalde tussen 1995 en 2001 van 9,6 tot 5,6, terwijl het aantal slachtoffers van autokraak of autodiefstal afnam van 10,2 naar 6,9. Daar staat tegenover dat het aantal mensen dat in de eigen buurt te maken kreeg met bedreiging toenam van 4,8 naar 6 procent. Onderzoek naar onveiligheid bracht vorig jaar aan het licht dat ruim een kwart van de ondervraagden (25,4 procent) zich in de eigen buurt onveilig waande.

Veiligheid en het bestrijden van criminaliteit stond daarom vorig jaar hoger dan ooit op de politieke agenda. De verkiezingsprogramma's van de meeste partijen wilden ,,meer agenten op straat''. Zelfs GroenLinks, traditioneel niet direct verbonden met dit thema, had dit onderwerp hoog in het vaandel. Ook D66 wilde, onder meer ,,op korte termijn'' uitbreiding van de politie met ,,enkele duizenden agenten en surveillanten''. ,,De noodzaak om daadkrachtig aan de slag te gaan met het bestrijden van criminaliteit en gedogen is nog volop aanwezig'', concludeerde het CDA slechts in de zogeheten `bijsluiter' bij het verkiezingsprogram van vorig jaar. De VVD beloofde in zijn program 750 miljoen euro extra beschikbaar te stellen voor de versterking van de ,,strafrechtelijke keten''. Die belofte maakt de partij hoogstwaarschijnlijk niet waar: komend jaar krijgt Justitie slechts 95 miljoen euro extra, een bedrag dat schraal afsteekt tegen het VVD-program.

Net als eerder dit jaar in het regeerakkoord, schrijft de regering Balkenende-II nu in het zogenoemde `beleidsplan' bij de begroting dat de overheid zich zal richten op de ,,preventie van criminaliteit en vandalisme''. Trefwoorden met betrekking tot het verhogen van de veiligheid zijn `respect' en `fatsoen': dat past bij het `handhaven van regels' en bij `consequent en daadkrachtig optreden'.

En natuurlijk blijft ook de overdracht van normen en waarden een centraal thema. Terwijl Balkenende eerder werd bekritiseerd omdat zijn hameren op dat aambeeld niet meer had opgeleverd dan een werkgroep, kondigt het kabinet nu aan dat het `normen en waarden-beleid' zal worden ondersteund door een `communicatiebeleid' van de Rijksvoorlichtingsdienst. ,,Doel daarvan is het publieke debat over waarden en normen en aansprekende lokale en sectorale initiatieven te ondersteunen, versterken en verbreden.''

Binnenlandse Zaken en Justitie streven overigens niet langer alleen maar naar `meer blauw op straat'. In plaats daarvan willen de veiligheidsministeries afgerekend worden op een prestatie en die luidt dat vanaf 2006 ,,een reductie van 20 á 25 procent van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte in het vizier komt''.

Of dat gaat lukken hangt voor een groot deel af van het opereren van 25 politiekorpsen en gedecentraliseerde gerechtelijke diensten. Met name het afsluiten van `prestatiecontracten' met politiekorpsen gaat moeizaam. Afgelopen week bleek dat nog steeds niet alle korpsbeheerders hebben getekend. Minister Donner van Justitie lijkt daarom voorstander van een herziening van het politiebestel. ,,Dit proces geeft te denken'', zegt hij tijdens een toelichting op zijn begroting, ,,het is de vraag of dit de juiste manier is waarop de politie moet worden bestuurd.''