Dom, dommer, domst? 6

Blijkbaar gaat het vooral slecht met de Nederlandse universiteiten aan de vooravond van prinsjesdag. De rest van het jaar is de toon anders.

Wie althans afgaat op de mededelingen van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) hoort dat onze universiteiten een systeem van `kwaliteitszorg' en `kwaliteitsbewaking' kennen dat `uniek' is in de wereld – lees de visitatierapporten over de stand van zaken in de Nederlandse academische wereld heeft opgeleverd. Het is opmerkelijk dat in deze rapporten rapporten nooit woorden vallen zoals `kaalslag' of `apocalyptische toestand', dan wel `kenniskloof met de VS'.

Ik ken slechts twee rapporten met negatieve ondertonen. De ene ging over communicatiekunde te Amsterdam, de andere over de opleidingen journalistiek, waar op diverse plekken sprake was van `te gering niveau'.

De vraag rijst: wie hebben gelijk, de doempredikende rectoren of de optimistische visitatiecommissies?

Het antwoord op deze vraag is relevant voor de overheid die 700 miljoen extra in het onderwijs gaat investeren. Dat is natuurlijk een schijntje voor een land dat volgens recente OESO-cijfers zo'n beetje het minst uitgeeft aan onderwijs van de beschaafde wereld (we staan met 4,6 procent van het bruto binnenlands product nog net vóór Turkije, en ver onder het OESO-gemiddelde van 5,8 procent).

Maar het is ook waar dat die krenterigheid niet zozeer het hoger onderwijs betreft. Terwijl in Nederland – volgens de OESO – de financiering van het secundair onderwijs zo'n dertien procent achterblijft bij ons omringende landen, zijn de uitgaven voor het tertiair onderwijs (HBO en universiteit), uitgedrukt per student, de hoogste van alle Noord-West Europese landen. Thans betaalt Nederland per student precies twee keer zo veel als in 1956 (gecorrigeerd voor inflatie), maar overigens wel een stuk minder dan vijftien jaar geleden.

Sinds die gouden jaren zijn er inderdaad aanzienlijke bezuinigingen geweest. Het probleem is echter dat de universiteiten consequent alle bezuinigingen `naar beneden' hebben doorgegeven. Dit heeft ervoor gezorgd dat op de universiteiten armoede heerst op de werkvloer en relatieve rijkdom aan de top.

Hierdoor zijn de Nederlandse universiteiten inderdaad `uniek'. Van alle wetenschappelijke instellingen ter wereld is alleen in het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs het aandeel full-time eenheden (banen) dat niets direct met onderwijs of onderzoek van doen heeft, tot 50 procent uitgedijd (naast 20 procent onderwijsfte's en 30 procent onderzoekfte's), zo heeft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling becijferd. Dit verklaart een deel van de universitaire paradox.

Niemand zal beweren dat de universiteiten gemakkelijke tijden doormaken. Maar de rampspoed zit vooral bij de wetenschappelijke kant, en minder bij de kant die zich met ondersteuning en management bezighoudt.