Te veel ballast bij overleg wereldhandel

Dat de conferentie in Cancún over vrijmaking van de wereldhandel is mislukt, komt onder andere door een overbelaste agenda, menen Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Een bekend onderzoeker verzuchtte eens: ,,Waarom moeite doen iets nieuws te bedenken als het publieke debat nog steeds wordt gevoerd in termen van misverstanden die 150 jaar geleden al zijn weerlegd?'' In de sfeer van de discussie over vrijhandel blijft deze verzuchting actueel. Dat bleek gisteren weer eens in Cancún, waar een ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) mislukte.

De boodschap die wij studenten aan hun verstand proberen te brengen, is dat vrijhandel wenselijk is. Als iedereen zich toelegt op datgene wat hij of zij relatief het beste kan, stijgt het gezamenlijke inkomen. Onderzoek van de Wereldbank laat zien dat landen groeien die zich openstellen voor internationale handel: het gemiddelde inkomen neemt toe en de armoede neemt af.

Als de lopende besprekingen voor het verder vrijmaken van de wereldhandel – de zogeheten Doha-ronde – uiteindelijk slagen (in Cancún ging het slechts om een tussenbalans hiervan), dan verwacht de Wereldbank dat zo'n 144 miljoen mensen aan de armoede kunnen ontsnappen. Openheid is een noodzakelijke voorwaarde om de welvaart te laten toenemen – niet een voldoende voorwaarde. Landen met een gebrekkige institutionele infrastructuur – een slecht werkend rechtssysteem, corrupte ambtenaren, een rammelend wegennet, een levendige markt in verdovende middelen – kunnen zich wel openstellen, maar de vruchten van vrijhandel ontstaan pas als deze interne problemen zijn aangepakt.

Het afschaffen van handelsbelemmeringen zou de belangrijkste taak van de WTO moeten zijn. De praktijk is echter weerbarstig. De eerste handelsrondes werden al in de jaren veertig van de vorige eeuw gehouden, maar nog steeds zijn nog lang niet alle invoertarieven en subtielere handelsbelemmeringen afgeschaft. In Cancún stond het Westerse landbouwbeleid weer centraal. Een groep van 21 ontwikkelingslanden (G21) heeft de Europese Unie en de Verenigde Staten terecht onder druk gezet om hun buitensporige landbouwsubsidies aan te pakken. De EU en de VS waren daartoe deze keer ook wel bereid. Maar waar de ene partij deze concessies onvoldoende vond, bleek voor de andere partij de grens bereikt.

Ook bij de onderhandelingen over het dilemma van het toestaan van de productie van en handel in goedkope generieke medicijnen in derdewereldlanden, in geval van epidemieën, werden concessies gedaan. Problematisch in de onderhandelingen was echter vooral dat de EU pas wilde overgaan tot landbouwconcessies als de ontwikkelingslanden zich bij onderwerpen als investeringen, concurrentieverhoudingen, douaneregels en overheidsaanbestedingen aan nieuwe regels zouden binden. De ontwikkelingslanden voelden hier weinig voor, omdat bij overtreding handelssancties dreigen.

Belastend is dat de discussie nog steeds wordt gevoerd in termen van de oude mercantilistische gedachte dat uitvoer goed is en invoer slecht. Dat is een misverstand omdat het bij internationale handel vooral in eerste instantie om invoer gaat – om goederen die wij zelf niet hebben of die andere landen goedkoper produceren. Het resultaat is dat alle landen vooral handelsbelemmeringen willen verminderen die hun exportpakket treffen, maar erg veel moeite hebben met de afschaffing van importbelemmeringen die de eigen markt beschermen. Als de EU de VS verwijten maakt, wordt vergeten hoe groot de interne bescherming van de eigen sectoren is. Omgekeerd geldt hetzelfde. En als de ontwikkelingslanden wijzen op de moeilijke toetreding tot de markten van de EU en de VS, wordt te gemakkelijk voorbijgegaan aan het feit dat juist de invoertarieven op landbouwproducten tussen de ontwikkelingslanden zelf hoog zijn. De Wereldbank meent zelfs dat de meeste winst voor de ontwikkelingslanden te halen valt door in het onderlinge woud van handelsbelemmeringen te kappen.

De huidige Doha-ronde moet niet alleen deze traditionele discussies tot een goed einde brengen, maar moet ook oplossingen vinden voor allerlei nieuwe onderwerpen die in Doha op de agenda zijn gezet. Het gaat dan om milieu, arbeidsomstandigheden (zoals kinderarbeid), marktverhoudingen en intellectueel eigendom (medicijnen). Deze discussies, waarbij alles met alles in verband wordt gebracht, vormen een ernstige bedreiging voor de kans op succes van de Doha-ronde, zo bleek in Cancún. De relatie van deze onderwerpen met vrijhandel is veel kleiner dan in `anti-globalistische' kringen vaak wordt gedacht. Natuurlijk gaat het om belangwekkende vraagstukken. Maar op het punt van arbeidsomstandigheden en milieu zijn andere instanties veel beter geschikt om de – vaak enorme – problemen aan te pakken, zoals de ILO voor arbeidsomstandigheden en het Kyoto-verdrag voor milieu. Hierbij moet trouwens ook worden bedacht dat meer mondialisering de problemen ten aanzien van deze onderwerpen niet per se vergroot. Voorzover kinderen werken in exportindustrieën, is het alternatief voor deze kinderen vaak veel beroerder – geen werk en geen inkomen. Wat het milieu betreft voorkomt internationale arbeidsverdeling juist dat productiemiddelen onnodig worden verbruikt (sinaasappels te verbouwen in Nederland).

Ook bij het reguleren van concurrentieverhoudingen is voor de WTO geen aparte taak weggelegd. Om te beginnen stimuleren openheid en vrijhandel de onderlinge concurrentie, zodat ten gevolge van mondialisering marktverhoudingen concurrerender worden en consumenten erop vooruit gaan. Of opgetreden moet worden tegen internationale acquisities, waardoor te grote machtsconcentraties ontstaan, is een dilemma. Schaalvergroting heeft namelijk in principe twee effecten: lagere kosten, maar ook hogere concentraties. Lokale omstandigheden moeten daarom bepalen naar welke kant de balans doorslaat. Voorzover het de EU betreft, is het beter deze problemen in handen te leggen van gespecialiseerde mededingingsautoriteiten. In de sfeer van het `intellectuele eigendomsrecht' lijken de problemen onoplosbaar. Door toe te staan dat bepaalde medicijnen buiten de standaard beschermingsregels vallen opent de internationale gemeenschap een doos van Pandora. Welke medicijnen zijn dat? Alleen die tegen aids, of ook `lifestyle'-medicijnen, zoals (zeer winstgevende) vermageringspillen of viagra? Bovendien ontstaat zo een potentiële markt voor smokkelaars, die de goedkope medicijnen terug exporteren naar markten waar deze duur zijn. De prijzen in de rijke landen komen dan onder druk te staan, met het risico dat het te duur wordt nieuwe medicijnen te ontwikkelen.

Wil de internationale gemeenschap al deze problemen oplossen, dan zal de Doha-ronde vrijwel zeker het doel om de onderhandelingen in januari 2005 af te ronden niet halen.

Elke nieuwe handelsronde duurt weer langer dan de vorige. De eerste handelsconferenties werden gemakkelijk binnen een jaar afgerond. De laatste handelsronde, de Uruguay-ronde, heeft maar liefst ruim zeven jaar gekost. Het doortrekken van deze trend zou betekenen dat de Doha-ronde in 2010 zou kunnen worden afgesloten. De oorzaak is niet alleen dat het aantal leden van de WTO gestaag toeneemt, maar ook dat de agenda met steeds meer onderwerpen wordt volgestopt die veelal beter in meer gespecialiseerde instituties aan de orde kunnen komen. Het gevolg is eindeloze onderhandelingen met een buitengewoon lage slaagkans. De WTO zou er goed aan doen zich louter en alleen te concentreren op vrijhandel. Dat heeft Cancún weer bewezen.

Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn zijn hoogleraar economie, de eerste aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Nijmegen, de tweede aan de Rijksuniversiteit Groningen en de University of Durham (Groot-Brittannië).