Praktisch ingestelde, redelijk eigenzinnige VVD'er

De algemeen politieke beschouwingen die deze week in de Tweede Kamer worden gehouden vormen een ijkpunt voor de nieuwe fractieleider van de VVD, Jozias van Aartsen. Hij kan dan laten zien hoezeer hij het politiek handwerk dat bij die rol hoort al beheerst.

Ergens hoog boven het Midden-Oosten probeerde medio 2001 minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen de meereizende journalisten ervan te overtuigen dat het zijn liefste wens was, om na de verkiezingen van mei 2002 vier jaar Kamerlid te zijn. Er was op dat moment in het regeringsvliegtuig eigenlijk niemand die hem echt geloofde. Van Aartsens ministerschap van Buitenlandse Zaken gold immers niet als een succes, en in politiek Den Haag komt het veel voor dat bewindspersonen om hun bekendheid op de kandidatenlijst van hun partij terechtkomen – om daarna, na de verkiezingen, ijlings een goed heenkomen te zoeken in een aantrekkelijker baan.

Zo niet Van Aartsen. Hij bleef in de Kamer en herhaalde zijn kandidatuur bij de verkiezingen van 2003. Bovendien bracht hij het – toen de zittende VVD-leider Gerrit Zalm in mei vice-premier werd – tot fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer. Vorige week bewoog hij, zonder veel moeite, zijn fractie tot instemming met een raadplegend referendum over de Europese Grondwet. Dit gebeurde tegen de zin van Zalm, wiens dagen van politiek leiderschap in de VVD daarmee wel een zo'n beetje geteld zouden kunnen zijn. Deze week, bij de algemeen politieke beschouwingen na prinsjesdag, legt Van Aartsen als fractieleider zijn keurproef af.

Het hóeft niet goed af te lopen: `politiek leider' is bij de VVD weliswaar niet een in de statuten vastgelegde functie, maar de strijd erom heeft in het verleden in de VVD vaak tot grote spanningen geleid. De manier waarop Van Aartsen fractievoorzitter werd, was Gerrit Zalm ook zeker niet naar de zin. Hij had het oog op Frank de Grave als aanvoerder van een ,,dualisme zonder brokken''. De meeste fractieleden vreesden, als in de paarse tijd, aan het lijntje van het kabinet te moeten lopen, en kozen voor Van Aartsen.

Pogingen van Zalm om de gelederen uit elkaar te spelen door het introduceren van een tweede tegenkandidaat tegen De Grave – Henk Kamp – en alle fractieleden afzonderlijk naar hun tweede voorkeur te vragen, mislukten. De hemelvaartsdag besteedden Zalm en Van Aartsen aan het bijleggen van hun onderlinge wrevel. Conclusie: beiden hebben een eigen rol.

Die wrevel bestond al langer. Minister van Financiën Zalm was in 1998 eens witheet van woede nadat Van Aartsen van een aanvaring in de Kamer tussen Zalm en de vrouwelijke Kamerleden May (CDA) en D'Ancona (PvdA) had gezegd: ,,laat Zalm maar met de dames kijven''. Ook omschreef Van Aartsen eens de Zalm-norm, bron van trots voor de naamdrager, als ,,elke avond om zes uur achter de aardappelen'' – een verwijzing naar Zalms gewoonte om het op het ministerie niet te laat te maken.

En sinds hemelvaartsdag was er niet alleen maar harmonie: dat de fractie woensdag plots vóór het referendum over de Europese grondwet bleek, was voor Zalm een verrassing.

Hem was verzekerd dat het woensdag bij een eerste verkenning binnen de fractie zou blijven, zodat er donderdag in het wekelijks overleg van de VVD-top ruimte zou zijn voor een vlammend appèl op de fractie om van het referendum-voornemen af te zien.

Dat het in de politiek niet altijd goed afloopt – Van Aartsen weet dit als geen ander. Zowel op grond van eigen carrière-ervaringen als familie-antecedenten kan hij daarover meepraten. Vader Van Aartsen, jarenlang minister voor de Antirevolutionaire Partij (ARP, een van de voorlopers van het CDA) was het lijdend voorwerp van de `jenevercrisis' in 1960. De ARP-fractie liet toen – naar men zegt onder invloed van het geestrijke vocht – in de Kamer de `eigen' minister van volkshuisvesting vallen.

Hoewel deze stap de carrière van Van Aartsen sr. niet noemenswaardig beïnvloedde – hij zou nog vijf jaar minister zijn in verschillende kabinetten – sloeg het `verraad' van de ARP in huize Van Aartsen in als een bom. Met name mevrouw Van Aartsen hield er een levenslange afkeer van de politiek aan over. Zoniet de dertienjarige Jozias, die het drama vanaf de publieke tribune had gevolgd. Hij kon zich later vooral de merkwaardige circusgeur herinneren in wat hij later eens de ,,parlementaire steengroeve'' zou noemen.

Het is trouwens opvallend dat Van Aartsen jr. in zijn latere leven een onversneden afkeer van de christendemocratie aan de dag zou leggen – al kwam die duidelijker naar voren in de dagen van Paars, toen het CDA blijvend leek uitgeschakeld als centrale factor in de Nederlandse politiek, dan thans, nu de VVD tot regeringsdeelname aan de zijde van het CDA is veroordeeld.

In de tijd van zijn ministerschap van Landbouw (1994-1998) liet Van Aartsen zich ontvallen dat het CDA, en dan vooral minister-president Lubbers in de jaren daarvoor, ,,een wollen deken'' over de politiek had gelegd, waaronder alle politiek leven was verdwenen. Zijn hele ministerschap toen stond, wat Van Aartsen betrof, in het teken van de doorbreking van de corporatieve, sterk door de christendemocratie beïnvloede vormen en structuren van het landbouwbeleid.

In 2000, inmiddels minister van Buitenlandse Zaken, verklaarde Van Aartsen in het openbaar ,,nooit met het CDA in een kabinet te zullen gaan zitten''. Toen het daar voor de VVD twee jaar later toch van kwam, in combinatie met de LPF, liet Van Aartsen – binnenskamers nu – op voorhand weten dat zo'n kabinet ,,niet mijn biotoop'' was.

In zekere zin heeft de VVD Van Aartsen te danken aan de genoemde jenevercrisis. Toen Van Aartsen sr. in 1969 rondkeek in de Tweede Kamer of er niet ergens een baantje als volontair was voor zijn zoon, deed hij niet een beroep op eigen partijgenoten maar op de prominente VVD'er Toxopeus. Jozias had, na bepaald geen hoogvlieger op het gymnasium te zijn geweest, een jaartje over voordat hij zou gaan studeren. VVD-fractievoorzitter Geertsema nam de jonge Van Aartsen aan als fractie-assistent. Dat hij toen nog geen VVD-lid was, was geen bezwaar. Daarna ging het vlug: twee jaar later was Van Aartsen secretaris van de fractie aan de zijde van Wiegel, onder wie de VVD van een gezelschap burgerheren langzaam tot een brede volkspartij begint uit te groeien. In 1971 en 1977 schreef Van Aartsen met Wiegel het verkiezingsprogramma van de VVD.

In 1974 werd Van Aartsen directeur van de Telders-stichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Menige beschouwing van zijn hand verscheen in het maandblad Liberaal Réveil – waarbij achteraf vooral die bijdragen opvallen waarin hij pleit voor de beëindiging van de liberale `familievete' tussen VVD en D66. Zoals zijn politieke voorkeuren in veel opzichten aan de links-liberale kant van de VVD liggen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Van Aartsens voorliefde voor de direct gekozen burgemeester – die er bij de behoudende VVD-bestuurders in de partij inmiddels al door Zalm door is gedrukt –, het referendum als politiek instituut en hervormingen van het kiesstelsel.

In 1979 verruilde de, in de woorden van VVD-coryfee Vonhoff, ,,zeer praktisch ingestelde'' Van Aartsen de rustige Telders-stichting voor een baan in de top van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1985 werd hij er secretaris-generaal. Als ambtenaar was Van Aartsen een doorslaggevend succes: hij vermocht de wensen van zijn minister te raden, en was een geslaagd organisator die zich omringde met een groepje vertrouwde ambtenaren – de ,bende van Jozias'. Toch schuwde hij in artikelen en lezingen soms forse standpunten niet, bijvoorbeeld over de stroperigheid van het openbaar bestuur en de neiging van de politiek om te vluchten in niet écht tot efficiëntie bijdragende bestuurshervormingen die het gebrek aan werkelijke politieke daadkracht moeten verhullen.

Daadkracht kon hij bewijzen toen hij in 1994, bij het aantreden van Paars I, minister van landbouw werd. Tot onverholen ontsteltenis van de sterk aan de CDA-benadering gewende landbouwwereld, had de minister zich voorgenomen de zaak eens flink op te schudden. De verontwaardiging nam nog toe toen veeziektes als de varkenspest een ravage aanrichtten onder de Nederlandse agrariërs, en Van Aartsen dit aangreep voor een grondige reorganisatie van het mestbeleid en daarmee de veeteelt.

De strijd zou jaren duren en er vloog Van Aartsen van alles om de oren: stenen, stront en bedreigingen ten plattelande, waarbij de minister demonstratief weigerde om zich van opzichtige bewakers te voorzien. In meer overdrachtelijke zin incasseerde hij ook soms zeer forse verwijten over incompetentie of regelrechte verdachtmakingen. Politicus bleek iets heel anders dan ambtenaar zijn.

In deze sfeer ontwikkelde zelfs zijn vrouw Henriëtte zich tot een politieke issue. Zij had een meelevende brief gestuurd aan enkele agrariërs, waarin ze de hoop uitsprak dat zij zouden inzien dat het ingezette landbouwbeleid van haar man niet tot de ondergang, maar tot hernieuwde bloei van de landbouw zou leiden. Prompt werd zij op het ministerie `Hillary van Aartsen' genoemd – een verwijzing naar de ambitieuze mevrouw Clinton. Van Aartsen heeft deze kritiek steeds minachtend naast zich neergelegd: ook in zijn tijd als minister van Buitenlandse Zaken trof men menigmaal Henriëtte aan zijn zijde, onbekommerd haar visie gevend op de zaak.

Of Van Aartsens tijd op Landbouw bestuurlijk gezien een succes was, is de vraag: het mestbeleid leidde later tot miljoenenboetes van de Europese commissie. Maar voor VVD-leider Bolkestein – wiens eerste keus voor Landbouw in 1994 niet Van Aartsen was geweest – was het dat zeker wel, vooral door de ideologische inslag ervan. Dus dacht Bolkestein aan Van Aartsen, toen hij voor het tweede paarse kabinet een alternatief zocht voor de D66'er Van Mierlo, die in Paars I minister van Buitenlandse Zaken was geweest en met zijn enigszins wollige, filosoferende stijl de VVD-leider iets te veel tegen de PvdA-aanhing.

Het wonder van Landbouw herhaalde zich niet bij Buitenlandse Zaken. Vrijwel vanaf de eerste dag vond hij het hele, zeer zelfbewuste diplomatencorps tegenover zich toen bleek dat hij zich actief wilde gaan bemoeien met de beslissingen van de zogeheten `Bloedraad', die de diplomatieke posten en andere benoemingen verdeelt. Nadat Van Aartsen zich in het openbaar had laten ontvallen dat er iets moest veranderen in de `sleetse carrièrepatronen' bij Buitenlandse Zaken, met hun min of meer automatische bevorderingen op de diplomatieke ladder, stond in een personeelsblad van het ministerie te lezen dat de minister eens moest ophouden met ,,bedrijfsleventje spelen''.

Ook politiek ging het mis. Premier Kok nam de gelegenheid te baat het Europees beleid vrijwel geheel naar zich toe te trekken, met als assistent Dick Bensschop, staatssecretaris van Europese Zaken. Van Aartsen kwam bijna niet meer te pas aan Europa – wat op zich ook weer een bron van klachten van de staf op het ministerie was: want waartoe dienen al die hooggespecialiseerde en goed geïnformeerde diplomaten wanneer het kleine ministerie van Algemene Zaken van de premier (,,anderhalve man en een paardenkop'', aldus een diplomaat) zo zijn gang kon gaan in Europa?

IJver kon minister zeker niet ontzegd worden: Afrika, Latijns-Amerika, het Midden-Oosten. Maar in de Kamer moest hij zich, vooral van de zijde van coalitiegenoot PvdA, veelal een opzichtig meewarige behandeling laten welgevallen. Af en toe liet Van Aartsen een kritisch geluid ten aanzien van het Nederlandse Europa-beleid horen. Dat het te federalistisch gericht was en te weinig concreet gericht op de belangen van de Nederlandse burger bijvoorbeeld – maar dat leek dan bijna het geluid van een buitenstaander.

Hoewel de persoonlijke verhouding tussen Kok en Van Aartsen buiten de politiek vaak vriendschappelijk was, kwam het eind 2001 tussen beiden tot een openbaar treffen. Elkaar nauwelijks aankijkend gaven beiden tegenover de Kamer een geheel verschillende lezing van een gesprek onder vier ogen dat zij hadden gevoerd. Achteraf gezien was dit incident – een van de meer absurde Kamerdebatten van de laatste jaren – het begin van Koks laatste, soms ontluisterende maanden in de politiek. Evenmin als de meeste andere paarse ministers heeft van Aartsen begrepen waarom Kok het nodig vond begin 2002 het hele kabinet te laten aftreden om `Srebrenica'. Laat staan dat hij dat kon billijken.

Maar toen was de politiek al volop in verwarring door het fenomeen-Fortuyn, waardoor ook de kaarten binnen de VVD opnieuw geschud zouden worden – met de déconfiture van VVD-leider Dijkstal en het verdwijnen van een perspectief op Paars III, dat zowel Zalm als Van Aartsen althans theoretisch voor de toekomst denkbaar achten.

Van Aartsen is ,,redelijk eigenzinnig'', meent Wiegel. Mede dat maakt hem geschikt voor de beoefening van het dualisme – een kritische opstelling van de Kamerfractie ten opzichte van het kabinetsbeleid. Dualisme heeft in de VVD oude wortels: ooit bracht VVD-leider Oud tegen de `eigen' minister Stikker een motie van wantrouwen in. Vonhoff denkt dat Van Aartsen ,,het prestige heeft'' om in de fractie ,,duizend bloemen te laten bloeien zonder dat het een bende wordt''.

Beide oud-gedienden menen dat het leiderschap in de VVD zich wel vanzelf zal uitkristalliseren, voordat het – vermoedelijk over enkele jaren – formeel zal moeten worden vastgesteld bij de aanwijzing van een nieuwe lijsttrekker bij Kamerverkiezingen. ,,De praktijk zal het leren'', zegt Wiegel. ,,We moeten de natuur zijn loop laten'', meent Vonhoff. In de Tweede Kamer is deze week de voortgang van dit proces te aanschouwen.