Lessen van Cancún

De onderhandelingen liepen uiteindelijk stuk op katoen, maar het had ook een ander agrarisch product geweest kunnen zijn waardoor de ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gisteren in de Mexicaanse badplaats Cancún onverrichter zake opbrak. Dit is een tegenslag om te komen tot nieuwe internationale afspraken voor handelsliberalisatie waartoe in 2001 werd besloten. Kern van deze zogenoemde Doha-ronde zou de vrijmaking van de handel in landbouwproducten moeten zijn. De kans dat deze ronde eind 2004 succesvol wordt afgesloten is drastisch geslonken. Nu lopen handelsrondes altijd uit, omdat de onderwerpen politiek gevoelig en technisch ingewikkeld zijn. Maar de vooruitzichten voor de Doha-ronde zijn uitgesproken somber. Dat is een slecht signaal voor de wereldeconomie.

De enigen die zich ronduit verheugd toonden over de mislukking waren de antiglobaliseerders en actievoerders. Ten onrechte. Sinds de eerste handelsronde in 1947 hebben opeenvolgende akkoorden over verlaging van invoerrechten en afbraak van handelsbeschermende maatregelen een immense bijdrage geleverd aan de groei en integratie van de wereldeconomie – en daarmee aan welvaartstoename.

Alsof de jaren zeventig van confrontaties tussen arme en rijke landen zijn teruggekeerd, is de bijeenkomst in Cancún mislukt door het machtsspel van de grote handelsblokken. Dat zijn niet alleen de Verenigde Staten, de Europese Unie en Japan, maar ook een groep van opkomende grote exporterende ontwikkelingslanden. Brazilië, India, China en gastland Mexico, met anderen de Groep van 21 genoemd, speelden het hard. Het raamakkoord dat de Verenigde Staten en de Europese Unie eerder deze zomer hadden bereikt over een geleidelijke vermindering van hun landbouwsubsidies, kon deze landen niet overtuigen. Ze veegden bovendien Europese eisen op het gebied van investeringen, aanbestedingen, douaneprocedures en mededinging als onaanvaardbaar van tafel. Ten slotte eisten arme, voornamelijk Afrikaanse landen een groter marktaandeel voor hun katoenexport en dat was het breekpunt.

De lessen van Cancún zijn drievoudig. Ten eerste moeten de EU en de VS drastischer snijden in hun agrarische subsidies dan ze tot nu toe bereid zijn. Het valt niet te verdedigen dat de wereldkatoenmarkt verstoord wordt door 3 miljard dollar steun aan Amerikaanse en 700 miljoen euro aan Europese katoenboeren (die zijn er) ten koste van landbouwers in ontwikkelingslanden. Wat voor katoen geldt, gaat ook op voor suiker, granen en oliehoudende zaden. Ten tweede kunnen de opkomende landen niet genegeerd worden. India, China en Brazilië zijn zelfbewuste spelers op het wereldhandelstoneel die uitstekend voor hun belangen opkomen. Ten slotte moet de structuur van de WTO ingrijpend veranderen. Unanimiteit bereiken met 146 landen over ieder technisch detail is onmogelijk. De invloed van industriële lobby's achter de schermen bij de bepaling van de handelsagenda en de wildgroei van de vele honderden niet-gouvernementele organisaties die in naam van zichzelf nadrukkelijk aanwezig zijn, moeten worden beteugeld. Dat vraagt om gedurfde initiatieven van de belangrijkste handelsblokken. De tijd daarvoor dringt.