`Ik ben een fraaie exponent van totale immobiliteit'

De letterkundige Herman Pleij studeerde, promoveerde en doceerde aan een en dezelfde universiteit. En hij is er nog trots op ook.

,,Ik ben een fraaie exponent van volstrekte immobiliteit. Ik kwam binnen en heb het pand nooit meer verlaten.'' Herman Pleij (1943) studeerde van 1961 tot 1968 Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna bleef hij ,,hangen''. Zo heette dat, vertelt hij. ,,Als je niet duidelijk een baan buiten de universiteit voor ogen had, dan dacht je: laat ik maar lekker blijven hangen''.

Pleij promoveerde in 1979 bij de UvA op Het gilde van de Blauwe Schuit: literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen. Hij is sinds 1981 hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde, ook aan de Universiteit van Amsterdam. Twee keer werd hij onderscheiden: in 1993 door de Belgische regering met de Francqui-leerstoel voor buitenlanders en in 2000 door de Katholieke Universiteit Brussel met een eredoctoraat.

Hij mag dan een kenmerkend voorbeeld zijn van volstrekte immobiliteit, Pleij is ook een voorbeeld van productiviteit en kwaliteit. Tegenstrijdig? Hij vindt van niet. ,,Immobiliteit is in het buitenland een teken van volstrekt isolement. Dat is absoluut niet het geval. Er is in de geesteswetenschappen zeer intensief contact tussen de universiteiten in de Randstad. Het onderzoek is ondergebracht in landelijke onderzoeksscholen.'' Hij bereist, zo zegt hij, ,,voortdurend alle filialen van de universiteit Nederland.''

Met de opmerking van hoogleraar Frances Gouda, vorige week in M, dat het moeilijk is om binnen komen in de ,,kleine wereldjes'' binnen de Nederlandse academische wereld, kan Pleij al evenmin wat. ,,Dat vind ik ook sterk overdreven''. Het wereldje is zo groot als Nederland en Vlaanderen samen, vertelt hij, want ze zijn gebonden aan de Nederlandse taal. ,,Er zijn meerdere onderzoeksscholen. Dat je daar niet binnenkomt, vind ik volstrekte onzin. Je ziet het aan wie er benoemd worden: er zijn de laatste jaren geregeld mensen van in de dertig jaar benoemd tot hoogleraar.''

Uitwisseling is erg belangrijk, zoveel wil Pleij wel toegeven. Dat zou meer gestalte kunnen krijgen. Een nieuwe werkplek geeft nieuwe prikkels. Maar de `ratrace' in Amerika, daar is hij ,,niet onverdeeld positief'' over. ,,Het onderzoek wordt gestuurd door de mogelijkheid om ergens een vaste aanstelling te krijgen.'' Het ene soort onderzoek valt bij een topinstituut beter in de smaak dan het andere. En voor een mooie aanstelling zijn publicaties in gerenommeerde tijdschriften van groot belang. Ook de tijdschriften zitten nu eenmaal meer op bepaalde artikelen over populaire onderwerpen te wachten dan op andere. Dat kan de onderzoekers teveel beïnvloeden, denkt Pleij. De trend die in Amerika begon om overal gender-vragen bij te stellen bijvoorbeeld, was volgens hem voor een belangrijk deel ingegeven door de wens om een baan te vinden. ,,Als ik nou zus doe of zo, dan valt het vast in de smaak.'' Deze modes vindt Pleij een gevaar voor de wetenschappelijke vrijheid.

De letterkundige viel op dat de in M geinterviewde hoogleraren bepaalde recente ontwikkelingen in de benoemingensfeer niet of nauwelijks hadden opgemerkt. ,,Het is bijvoorbeeld in Nederland heel lang als ,,niet netjes'' beschouwd om elkaars hoogleraren weg te kapen. De laatste tijd gebeurt het wel een beetje.'' Als voorbeeld noemt hij taalkundige Pieter Muysken, die in 1998 de UvA verruilde voor de universiteit Leiden, omdat hij daar meer faciliteiten kreeg.

Vorig jaar nog vertrok fysicus Ad Lagendijk met een aantal van zijn medewerkers van de UvA naar de Universiteit Twente, nadat in zijn laboratorium in Amsterdam asbest was geconstateerd.

Ook bij Pleij ,,is er weleens sprake van geweest'', maar geen enkele universiteit deed hem ooit een aanbod dat hij niet kon afslaan. ,,Alle universiteiten hebben ongeveer dezelfde middelen'', verklaart hij. En een overstap echt aantrekkelijk maken, dat kost de universiteit veel geld. ,,Ik bedoel niet qua salaris, maar qua faciliteiten om onderzoek te doen en mogelijkheden om mensen aan te stellen.'' Daarom zit hij al ruim veertig jaar op dezelfde plek. ,,Er moeten wel hele duidelijke voordelen zijn om mij mijn geliefde universiteit te doen verlaten.''