Het trappenhuis

De eerste keer dat ik gedwongen werd gespreid was vier jaar na mijn komst naar Nederland. Je mocht vier jaar wonen in de studentenflat en daarna moest je heen, de donkere wijde wereld in. Ver van je vrienden en medestudenten, die in de gemeenschappelijke keuken hun wietplantjes koesterden of snuffelden in je pan met Surinaams stoofvlees, omdat ze zelf niet verder kwamen dan een croma-karbonaadje en drie bleekgekookte binten.

Ik kreeg een woning aangeboden in de Amsterdamse rivierenbuurt en de intimiderende mevrouw van de woningcorporatie zei dat je die mocht weigeren, maar niet heus. Ongezellig, klein, donker, vies en koud waren geen redenen tot weigering, verzin dus maar betere. Ik bezocht de woning en kon inderdaad geen betere verzinnen. Het was er slechts ongezellig, klein, donker, vies en koud.

Ongeveer drie jaar heb ik het daar volgehouden, turend naar de schrootjeswand vanuit mijn stoel bij de kachel. In het begin kwamen de vrienden uit de studentenflat nog langs, maar drie jaar later was er nooit meer bezoek. Mijn stoofvlees bleef onaangeroerd, beneden woonden twee oude vrouwen die zich stoorden aan mijn soulmuziek en ook in de rest van de straat woonden zure blanke mensen; alleen boven woonde een schat van een dronkaard, die ik voor het laatst vanuit mijn raam op een brancard zag, die een zwarte auto in werd geschoven.

Intussen was ik afgestudeerd en had ik een baan bij De Groene Amsterdammer, ik verdiende nu geld, tweeduizend en vijfhonderd gulden in de maand. Tijd om verder te spreiden, wat mij voerde naar Venserpolder, op de rand van de Bijlmer. Ik vond het de mooiste wijk in de wereld. Er woonde nog bijna niemand, de wijk was pas opgeleverd, maar het was er groot, licht, schoon en warm. Niet voor niets had de Italiaanse architect van de wijk een prijs gewonnen. De hoeken van de straten waren schuin afgesneden, waardoor er pleinen ontstonden met in de toekomst misschien een bakker, een café, veel leven en gezelligheid. De binnenplaatsen waren geen potsierlijke tuinen die alleen voor katten toegankelijk waren, zoals in de rivierenbuurt. In de binnenplaatsen waren speeltoestellen aangebracht en wel zo, dat ze volgens leeftijd geordend waren. Van nul tot vier was vlak bij mijn flat, van vier tot zes aan de overkant, van zes en ouder schuin tegenover.

Het mooiste in Venserpolder vond ik het trappenhuis. Breed, zó breed dat je een piano naar boven kon krijgen, en lampen die in de avond vanzelf aanfloepten. Ik kreeg een bovenbuurvrouw, een blanke met twee kinderen, een van twaalf en een van vier, en een grote hond, geen man. Tijd om afspraken te maken over het trappenhuis, dacht ik zo. Om de beurt stofzuigen en dweilen, bood ik aan. ,,Hou je bek'', gilde ze tegen één van de kinderen, en ,,ja, ja'' tegen mij waarna ze de deur met een klap dicht deed. Dit ging niet goed, mijn trappenhuis was in gevaar.

Juist vermoeden, bleek gauw. Hond haalde vaak het mooie brede trottoir van de Italiaanse architect niet, zelfs mijn deel van de trap werd haar opslagplaats voor oude wiegen en kapotte stoelen. Maar het ergste kwam langzaam: kinderen worden groot, viel me op en hun moeder, die een jonge minnaar in huis had gehaald, verloor gezag. ,,Hou je bek'', riepen nu de kinderen tegen haar.

Jongen van twaalf werd vijftien en in mijn trappenhuis hing de zware lucht van marihuana, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Jongen van vijftien repareerde zelfs zijn bromfiets in mijn trappenhuis en de smeerolie liep over de treden.

Het was niet louter pech, het was structureel, het verval. Het postkantoor werd gesloten, nadat het drie keer was overvallen. De slager vertrok, zijn mooi ingerichte vitrine was nu alleen voorzien van hele schapenpoten en ander onbewerkt vlees, hoewel islamitisch geslacht. De bloemist gaf er de brui aan, daar kwam een belhuis voor Ghanezen en Pakistanen. Het Chinese restaurant verkocht de helft van de zaak aan een Egyptenaar, die een biljarttafel plaatste en whisky drinkende hindoestaanse snorders als vaste klanten had. De FEBO, mijn favoriete kroketterie, werd eerst Erno, die geen frikadellen meer verkocht wegens het onislamitische varkensvlees, en ten slotte ook geen kroketten. Voortaan enkel lamsshoarma en kipkrokantjes, waar vooral de Antillianen dol op waren, omdat ze de kippenbotten konden mikken in de vuilnisbak op de hoek, en geloof me, Antillianen kunnen niet mikken.

Mijn verdere spreiding kwam eraan. Ik stond bij Erno te wachten op een shoarma toen ik ineens werd omsingeld door politieagenten die mij ruw tegen de muur duwden en mij vluchtig fouilleerden. Nog voordat ik mij realiseerde wat er gebeurde, waren ze weg. Ik liep achter ze aan, ,,wat heeft dat te betekenen?'', riep ik. ,,Wil je achter in de wagen met handboeien om?'', vroeg een van de mannen zonder mij zelfs aan te kijken. Later hoorde ik dat een gewapende zwarte man werd gezocht met een bruine jas. Tja, dat was precies mijn signalement, alsook van een paar duizend anderen in de wijk, want over een allochtonenstop werd toen nog niet gepraat.

Spreiden dus. Ik werkte nu bij NRC Handelsblad en de VPRO en om een lang verhaal kort te maken: ik spreidde mezelf tot in Loenen aan de Vecht, in een keurig middenklasse huisje zonder bovenbuurvrouw en in heel het dorp maar twee zwarte mensen, mezelf meegerekend.

Ik heb niets tegen zwarte mensen, laat ik dat voorop stellen. Ik heb zelfs niets tegen blanke vrouwen die een jonge minnaar nemen en ,,hou je bek'' tegen hun kinderen schreeuwen. Ik ben ongelooflijk tolerant, maar siroop moet je ook aanlengen, anders word je misselijk.

De hele kwestie van de gedwongen spreiding in Rotterdam slaat natuurlijk nergens op. Ik ken geen enkele kansrijke die tussen uitsluitend kansarmen wil zitten, en kansarmen zitten bij elkaar om redenen die toch tamelijk opvallend zijn: ze zijn arm aan kansen. Spreiding is goed, om te beginnen op wereldschaal: spreid alle kansrijke westerlingen over de aardbol, alsook de kansarme niet-westerlingen, en dan zien wat er gebeurt. Wat Rotterdam betreft: als er toch gedwongen moet worden, dan toch eerst de leden van de gemeenteraad zelf. Een wijk als Charlois of Feijenoord wens ik ze wel toe.

ramdas@nrc.nl