Dienstbode

Bij de melodramatische films van Lars von Trier mag ik graag een traantje wegpinken, maar bij Dogville, zijn nieuwste film, verging het huilen me juist toen ik er eens goed voor wilde gaan zitten. Het einde van Dogville is een van de gruwelijkste eindes die ik ooit in een speelfilm heb gezien.

In grote lijnen komt het er op neer dat het hoofdpersonage, de vrouw genaamd Grace, maximale wraak neemt op iedereen die haar bestaan heeft ondermijnd.

Misschien nam Von Trier ook wel een beetje wraak op mij als kijker, want ik had zijn film vooral in het begin zó traag gevonden dat ik soms moeite had mijn hoofd erbij te houden. ,,Begrijp je nu wat ik bedoel'', riep hij me met zijn laatste beelden toe, en ik begreep het: de mens is slecht tot in zijn merg, en als hij goed lijkt komt het alleen doordat hij zijn eigen belang knap gecamoufleerd heeft.

Toen dat eenmaal tot me was doorgedrongen, kon ik fluitend mijn dag voortzetten. Het leven lachte me weer toe, hoe vals ook. Als je weet dat iedereen slecht is, bespaart je dat een hoop gepieker, want je hoeft nooit meer onderscheid tussen mensen te maken.

Von Trier houdt van lijdende, zichzelf opofferende vrouwen. In zijn vorige films bleven die vrouwen zich opofferen tot hun ondergang erop volgde. Larmoyante, ongeloofwaardige personages, vinden de tegenstanders van Von Trier. Dat bezwaar kon me nooit overtuigen. We kennen toch allemaal voorbeelden van zulke vrouwen?

Het toeval wilde dat ik Dogville zag kort nadat ik het derde hoofdstuk had gelezen van de meeslepende biografie die Léon Hanssen over Menno ter Braak heeft geschreven. Dat hoofdstuk (in het tweede deel) gaat over Gerda Geissel, een jonge Duitse vrouw met wie Ter Braak zich verloofde. Ze was een vrouw van eenvoudige komaf, zonder veel opleiding – in intellectueel opzicht geen partij voor Ter Braak.

Ter Braak en zijn vriend Eddy du Perron hadden last van een `dienstbodencomplex', legt Hanssen uit. Ze namen bewust een vrouw onder hun niveau om via de seksualiteit weer in de buurt te komen van het gewone leven, dat aan hun intellectuele abstracties dreigde te ontsnappen. De inferioriteit van zo'n vrouw werd tegelijkertijd benadrukt én geïdealiseerd.

Maar het leven liet zich niet plooien naar deze nieuwe, intellectuele abstractie en de affaire liep uit op een catastrofe vooral voor Gerda Geissel. Ze had haar bestaan in Duitsland voor Ter Braak opgegeven en moest nu terug. Hanssen schetst hoe het met haar afliep. Eerst kreeg ze ten onrechte de schuld van de breuk met Ter Braak (die in het geheim tegen haar en haar moeder had bekend dat hij impotent was). Vervolgens trouwde ze met een man die haar voortdurend bedroog, werd ze verkracht door Russische soldaten, raakte ze aan de drank en kreeg ze maagkanker. In 1972 pleegde ze zelfmoord.

Ter Braak had haar kapotgemaakt, vindt Hanssen, zoals Du Perron het met `zijn' Simone Sechez had gedaan. Het is dat Von Trier liever zijn eigen verhalen bedenkt anders zou het leven van Gerda Geissel hem een aangrijpende film kunnen opleveren.