Bij instant-jazz blijft het toch zoeken in een doolhof

Wie een liedje speelt, die vliegt eruit. Misschien werd het zo niet afgesproken, maar zo klonk het zaterdag wel. Op het podium stonden twee gestemde vleugels, ondenkbaar in de jaren dat het BIMhuis begon, maar wat de aanpak van de musici betreft leek er sinds de jaren zeventig helemaal niets veranderd.

Een improvisatie begint bij nul en kent geen einddoel. Het gaat om de weg en het proces, dat was het evangelie van een groep musici van toen, niet omvangrijk maar wel fanatiek.

Het van de grond af opnieuw beginnen, alsof de traditie niet bestond, leidde zowel tot totale destructie als tot iets dat `Instant Composing' werd genoemd, op het podium iets creëren dat de kracht had van iets blijvends.

Het etiket werd in Nederland vooral populair dankzij de Instant Composers Pool van Misha Mengelberg. Dat dit tienmans orkest zich ondanks zijn naam wel degelijk wijdde aan repertoire, hoe rudimentair soms ook vastgelegd, onderstreepte hoe moeilijk het was radicaal in de leer te blijven. Latere edities van de ICP speelde zelfs stukken van andere jazzcomponisten: Monk, Nichols en Ellington.

Alsof hij dit allemaal niet wist, begon Mengelberg, 68 inmiddels, in zijn duo met gitarist Wiel Conen quasi-naïef toch weer bij het nulpunt. Een riedeltje hier, wat rommelen daar, laten we er het beste van hopen.

Omdat Conen met zijn pedaalloze electrische gitaar weinig doet aan richtingbepaling blijft het bij rusteloos geloop als van twee jongens in een doolhof. Soms komen ze even dicht bij elkaar, maar gedragen zich dan zo chaotisch dat het iets van een wonder heeft dat ze elkaar na achttien minuten toch nog bij de uitgang treffen.

Als Conen gaat en de Duitse Nederlander Stevko Busch zich nestelt achter de andere vleugel, ontstaat er in elk geval een rolverdeling. Busch kiest duidelijk voor minder noten en probeert bovendien die anders te kleuren door met dempers te werken. Waar een spons en een stofdoek goed voor kunnen zijn. Ook door meer variatie in hard en zacht gebeurt er bij dit duo in elk geval iets dat de concurentie aankan met een bliepende telefoon in de zaal.

Na de pauze bewijzen Conen en Busch dat je ook zonder vooropgezet plan iets kunt maken dat de tijd doet vergeten. De aanpak is bedachtzaam, de noten zijn schaars en er ontstaat een dromerige sfeer die vagelijk doet denken aan de cooljazz van omstreeks 1950, Lennie Tristano en Billy Bauer. Dan maakt Conen een politieke fout, hij speelt een frase die zo vertrouwd klinkt, dat het wel een liedje lijkt.

Dat betekent gelijk het einde, waarna Misha Mengelberg zich erbij voegt voor wat hijzelf heeft aangekondigd als een `Discours à trois'.

Twee vleugels plus een electrische gitaar, het is natuurlijk niet verboden maar wie met deze combinatie iets verstaanbaars wil zeggen zal het goed moeten organiseren. Dat is echter teveel gevraagd; een ras-improvisator maakt geen plan, hij vertrouwt op god en zijn genie. Dat Mengelberg als toegift toch een liedje speelt, met volle accoorden en een kop en een staart geeft de luisteraar een ongemakkelijk gevoel: was dit nu kunst of werd ik getild?

Concert: Mengelberg, Busch & Conen: duo's en trio. Gehoord: 13/9 BIMhuis, Amsterdam.