Wachten op de prins

Onderzoekers zien graag dat hun artikelen worden geciteerd. Soms moeten ze daar vele jaren op wachten. Bibliometrist Ton van Raan ging op zoek naar Doornroosjes in de wetenschap.

In 1986 PUBLICEERDE de Amerikaanse theoretisch fysicus Larry Romans, toen verbonden aan de University of California in Santa Barbara, in het tijdschrift Physics Letters B een model voor supergravitatie in de snaartheorie. De uitkomst van zijn artikel, luisterend naar de esoterische titel `Massive N=2a Supergravity in ten-Dimensions', was de voorspelling van een nieuw verschijnsel: het breken van de zogeheten supersymmetrie. Wat dit allemaal betekent doet nu even niet ter zake,aan de orde is hoe collega's op zijn resultaat reageerden.

Welnu, dat draaide voor Romans uit op een enorme deceptie: het bleef doodstil, zijn artikel werd volstrekt genegeerd. Maar na een kleine tien jaar – Romans was intussen op het Godard Space Flight Center van de Nasa aan de slag gegaan als geodeet – kwam er alsnog rechtvaardigheid. Zijn vondst werd herontdekt door Joe Polchinsky, ook van Santa Barbara. Een collega wist zich Romans' werk uit 1986 te herinneren, en zo kon het gebeuren dat in 1995 in Physical Review Letters alsnog naar het doodgewaande artikel werd verwezen. Daarna ging het hard: 64 citaties in vier jaar. De ongelukkige Romans was zijn tijd gewoon ver vooruit.

NIET RIJP

``Een extreem geval van een Doornroosje'', aldus Ton van Raan, hoogleraar aan het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies (CWTS) in Leiden en expert op het gebied van citatie-analyse. ``Toen Romans zijn artikel in 1986 publiceerde, was het vakgebied er nog niet rijp voor. Het was lang wachten op de prins.''

Van Raan is al jarenlang geïntrigeerd door Doornroosjes: wetenschappelijke artikelen die na publicatie (vrijwel) genegeerd worden, om alsnog te worden wakker gekust. ``Als ik een presentatie geef over prestatiemetingen, springen er altijd figuren van hun stoel die, soms geëmotioneerd, zeggen: `Uw methode werkt bij mij niet, mijn werk heeft gewoon tijd nodig om door te dringen.' Het Mendel-syndroom, noem ik dat. Normaal wordt een artikel in de harde bètavakken en de medische wetenschappen direct geciteerd, bereikt na een jaar of twee, drie de top, waarna het aantal verwijzingen genadeloos exponentieel afneemt – in de sociale wetenschappen, de biologie en de technische wetenschappen bereiken de citatie-aantallen later hun top en ligt die top minder hoog. Maar er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, en tot nu toe kon ik daar niets kwantitatiefs over zeggen. Dat was erg onbevredigend, vandaar mijn onderzoek naar Doornroosjes. Ik heb er veel lol aan beleefd, maar het moest wel tussen de bedrijven door.''

Het speuren in de databases van het Institute for Scientific Information (ISI) in Philadelphia, gevuld met 20 miljoen artikelen die teruggaan tot 1980 en met zo'n 300 miljoen citaties, bleek geen eenvoudige opgave. Van Raan: ``Het was een enorm karwei, uitgevoerd door onze computer engineer Peter Negenborn. Om te beginnen moet je corrigeren voor zelfcitaties: auteurs die naar eigen werk verwijzen. Verder doken in mijn eerste scans tal van valse Doornroosjes op. De Scientific Citation Index-database bleek vervuild met artikelen waarvan de auteursnaam intussen was veranderd, vooral bij medische publicaties van een collectief was dat nogal eens het geval. Ook stuitten we op fouten in het paginanummer van artikelen, of klopte het serienummer van het tijdschrift niet. Pas na een bewerkelijke schoningsoperatie had ik de echte Doornroosjes te pakken.''

Van Raan hanteert in zijn bibliometrische aanpak drie variabelen: de diepte van de slaap, de duur van de slaap en de `ontwaakintensiteit'. Bij een diepe slaap krijgt het artikel hoogstens één citatie per jaar, bij een minder diepe slaap is dat één à twee. De duur van de slaap varieerde van vijf tot tien jaar, terwijl als ontwaakintensiteit het aantal citaties per jaar werd genomen (waarbij zes het minimum was) gedurende een periode van vier jaar volgend op de `kus'. Van Raan: ``Zo vond ik bijvoorbeeld dat van de één miljoen in 1988 gepubliceerde artikelen er 41 na een diepe slaap van tien jaar (1988-1997) de vier jaar daarop (1988-2001) tussen de 21 en 30 citaties kregen. Doornroosjes zijn dus zeldzaam.''

KANS OP KUS

Uit zijn statistische analyses, die in het tijdschrift Scientometrics worden gepubliceerd, kon Van Raan een Doornroosje-formule opstellen die het aantal ontwaakte artikelen geeft als functie van de drie bovenvermelde variabelen. Hoe langer de slaapperiode, hoe kleiner de kans op een kus, terwijl in alle situaties de kans op hoge ontwaakintensiteiten extreem snel afneemt. Van Raan: ``Zo'n sterke afname is bij mijn weten in de bibliometrische analyse niet eerder vertoond.''

Een `mild' Nederlands Doornroosje is een publicatie van J.H. van Bemmel, de huidige rector-magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 1990 publiceerde deze hoogleraar medische informatica in Methods of Information in Medicine een artikel dat de eerstvolgende vijf jaar niet werd geciteerd en daarna tot leven kwam met zo'n 5 à 10 citaties per jaar. Van Raan: ``Het gaat om voorlopige bevindingen. Het zou interessant zijn het Doornroosje-onderzoek uit te breiden. Zijn er verschillen per vakgebied? Vallen er karakteristieke patronen aan te wijzen? Zijn het `exotica' van overigens normaal publicerende wetenschappers, of komen ze van geleerden die voornamelijk aan het Mendelen zijn? Ik zal binnenkort bij NWO een Doornroosje-project aanvragen. Een goede kans dat ze me voor gek verklaren en naar de Efteling sturen. Maar ze kunnen ook heel aardig zijn en ook al past het niet in hun programma`s, je weet maar nooit.''