Vaderschapstest

Het artikel van Suzanne Jansen over de opmars van de commerciële vaderschapstest, `En u, weet u het wel zeker?' (Z, 24 augustus), maakt melding van het bezwaar, naar voren gebracht door de Leidse antropogeneticus dr. Peter de Knijff, dat erop neerkomt dat onthullingen van de waarheid op dit terrein kunnen leiden tot ontwrichting van sociale verbanden en persoonlijke conflicten.

Dat een aan het licht treden van de waarheid in dit soort zaken tot grote opschudding kan leiden, is buiten twijfel. Maar moet men daarvoor vrezen?

Het argument van De Knijff riekt naar de minachting waarmee het Nederlandse familierecht vanouds de relatie vader-kind bejegent. Denk aan de zaak van Huisman, de vader van het vermoorde meisje van Nulde, in zijn strijd voor de voogdij over zijn andere kind, Rochelle.

Aan de biologische afstammingsband van een man met het kind uit zijn schoot werd en wordt veelvuldig door wet en rechtspraak voorbijgegaan, met als gevolg dat kinderen verstoken blijven van de kennis van hun ware identiteit. De werkelijke vader van een kind heeft op basis van zijn afstammingsband met dat kind rechtens geen aanspraak op de voogdij over het kind, in tegenstelling tot de moeder.

Een toegeven aan De Knijffs argument, in wet, rechtspraak of beleid, zou een hernieuwde sauvering betekenen van de buitensporige machtspositie van de moeder. Het zou ook een sanctionering van de leugen inhouden, en daardoor in strijd zijn met het recht.