`Te veel willekeur in het doorverwijzen'

Leerlingen van speciale basisscholen hebben recht op dezelfde kwaliteit onderwijs als `gewone' scholieren, vindt IJsbrand Jepma. `Kwetsbare kinderen mag je best lastigvallen.'

Een Cito-toets. Als het aan IJsbrand Jepma (1972) ligt, zullen ook leerlingen van speciale basisscholen daar binnen een aantal jaren aan moeten geloven. Risicoleerlingen met leer- en opvoedingsproblemen (lom) of moeilijk lerende kinderen (mlk) hebben evenveel recht op gedegen onderwijs als `gewone' leerlingen, vindt de auteur van het pas verschenen proefschrift De schoolloopbaan van risicoleerlingen in het primair onderwijs (Universiteit van Amsterdam, 2003). En onder `gedegen onderwijs' vallen volgens Jepma niet alleen gecertificeerde leerkrachten en boeken met de nieuwste didactische methoden, maar ook een gestandaardiseerde, op maat gesneden toets die de prestaties van risicoleerlingen in kaart brengt. ,,Als een kind bij de groenteboer niet kan uitrekenen wat een bloemkool en een pond boontjes kost, dan heb je als speciale basisschool je werk niet goed gedaan.''

Nemen speciale basisscholen het niet zo nauw met de kwaliteit van hun onderwijs?

,,Ik denk dat het speciaal basisonderwijs nog een grote inhaalslag te maken heeft. En een beetje sturing kan daarbij geen kwaad. Zo sta ik ook achter het recente besluit van de onderwijsinspectie om periodieke bezoeken aan speciale basisscholen af te leggen. Niet alleen is het goed om de boel eens in de zoveel jaar flink door te lichten – zonder pottenkijkers neem je het als school nu eenmaal wat minder nauw – maar ook krijgen speciale basisscholen op die manier een beter beeld van zichzelf. Dat lijkt mij een hele gezonde ontwikkeling.''

Het ministerie van Onderwijs was lange tijd huiverig om speciale basisscholen aan een onderzoek te onderwerpen. Waarom?

,,Kwetsbare kinderen moet je niet lastigvallen – dat was de teneur. Je moet ze niet confronteren met hun eigen onvermogen, daar worden ze alleen maar angstig van. Die mening heeft nog steeds de overhand, maar tegelijkertijd is er sprake van een voorzichtige kentering. De bezoeken van de onderwijsinspectie zijn daar een voorbeeld van.''

Die kentering begon begin jaren '90, toen de overheid reguliere basisscholen en speciale basisscholen verplichtte tot meer samenwerking. Wat is daar in de praktijk van terechtgekomen?

,,Een mooi voorbeeld is Amsterdam. Daar hebben dertig zogenoemde PC-scholen een expertiseteam geformeerd van zeven orthopedagogen die onderbouwleraren van adviezen voorzien in de omgang met risicoleerlingen. De teamleden trekken veel tijd uit voor gerichte ondersteuning – iets wat bijvoorbeeld de schoolbegeleidingsdienst nooit kan bieden. Je brengt het speciaal onderwijs naar de reguliere school, in plaats van het kind naar het speciaal onderwijs. Die aanpak juich ik van harte toe.''

Want uit uw onderzoek blijkt dat risicoleerlingen met leer- en opvoedingsproblemen of moeilijk lerende kinderen het beter doen op een gewone basisschool dan in het speciale basisonderwijs.

,,Dat klopt, ja. Voor mijn onderzoek heb ik duizend risicoleerlingen uit groep 4 van het basisonderwijs vergeleken met zogenoemde `dubbelgangers' in het speciaal onderwijs. Wat bleek? Die risicoleerlingen op de gewone basisschool hadden aanzienlijk betere taal- en rekenprestaties dan de kinderen op de speciale basisschool. De belangrijkste verklaring voor dat verschil is volgens mij dat risicoleerlingen in het reguliere basisonderwijs veel van `gewone' klasgenoten opsteken. Hun niveau wordt als het ware opgekrikt.''

Voor uw onderzoek maakte u gebruik van de zogenoemde `matching-methode'. Wat houdt dat precies in?

,,Voor mijn onderzoek heb ik gebruikgemaakt van de resultaten van het PRIMA-cohortonderzoek, een tweejaarlijks onderzoek naar de prestaties van leerlingen in het regulier en speciaal basisonderwijs. Als wetenschapper had ik natuurlijk liever gebruikgemaakt van een databank vol leerlingen die geschikt waren bevonden voor het speciaal onderwijs, om die groep vervolgens op willekeurige basis over het gewone basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs te verdelen. Maar u begrijpt, dat is ethisch ontoelaatbaar. En ouders zouden nooit met zo'n aanpak hebben ingestemd.

,,Als second best heb ik toen voor iedere risicoleerling uit groep 4 van het speciaal basisonderwijs een dubbelganger gezocht in het gewone basisonderwijs. Een jongen of meisje met nagenoeg dezelfde taal- en rekenscore, non-verbale intelligentie en sociaal gedrag. Vervolgens heb ik de prestaties van beide groepen over een aantal jaren gevolgd.''

Hoe meet je iemands sociale gedrag?

,,Dat heb ik bepaald aan de hand van een standaardvragenlijst. Onder sociaal gedrag vallen zaken als `werkhouding' en `zelfvertrouwen'. Leraren van die duizend leerlingen beoordeelden hoe er op die punten werd gescoord. Een hoge score stond gelijk aan een leerling met veel sociale vaardigheden.''

Maar daarmee blijven het `papieren' leerlingen. U had beide groepen ook kunnen observeren in hun natuurlijke omgeving.

,,Ik geef onmiddellijk toe: dit is een zwak onderdeel van mijn proefschrift. Het liefst had ik gedragsdeskundigen ingeschakeld, maar ja, dat was een zeer tijdrovende en kostbare aangelegenheid geworden. Geld en tijd waar ik niet over beschikte – dus werd het een meting die voor verbetering vatbaar is.''

In uw onderzoek concludeert u dat 40 procent van de leerlingen in groep 2 en 4 van het speciaal basisonderwijs een dubbelganger heeft in het gewone basisonderwijs. Moeten wij daaruit concluderen dat het al dan niet doorverwijzen van leerlingen nattevingerwerk is?

,,Zo ver zou ik niet willen gaan. Maar het is wel zo dat er in het verwijzingsproces een aantal willekeurige componenten zit. Zo blijkt bijvoorbeeld dat het al dan niet doorverwijzen van een leerling sterk afhangt van zijn of haar positie in de klas. Een risicoleerling uit een beter presterende klas in een betere buurt wordt eerder doorverwezen dan een risicoleerling in een middelmatige klas in een achterstandsbuurt. Hetzelfde geldt voor risicoleerlingen op grote scholen. Grote scholen zijn vaak gesitueerd in de steden, waar speciale basisscholen, anders dan op het platteland, geen zeldzaamheid zijn. Leraren gaan sneller over tot doorverwijzing als het alternatief om de hoek ligt. En ouders leggen zich sneller bij zo'n oordeel neer.

,,Een andere factor die meespeelt is het adaptief vermogen van leerkrachten. De ene leerkracht zal een leerling met een grote mond als storend ervaren, de andere vat het op als een gezonde vorm van assertiviteit. Ook dat soort – tamelijk willekeurige – zaken zijn van invloed op de procedure.''

Het dagblad Trouw vergeleek een aantal schooltypen en concludeerde dat antroposofische scholen de meeste leerlingen doorverwijzen naar het speciaal onderwijs. Heeft u een verklaring voor die uitkomst?

,,Dat is een moeilijke vraag. Maar mijn eerste gedachte is dat Vrije scholen een wat intellectueel imago hebben. In het lesaanbod wordt veel nadruk gelegd op schrijven en kunstvormen als schilderen en toneel. Ouders die hun kind naar zo'n school sturen hebben daar meestal lang over nagedacht. Mocht je daar als risicoleerling onverhoeds terechtkomen, dan val je natuurlijk snel op. Al was het maar omdat Vrije scholen de individuele ontplooiing boven het groepsproces plaatsen en leerlingen veel vrijheid geven – een methode die risicoleerlingen meer kwaad dan goed doet.''

In uw proefschrift constateert u een toename van het aantal aangemelde risicoleerlingen bij de Permanente Commissies Leerlingenzorg, die hun toelating tot het speciaal basisonderwijs beoordelen. Suggereert u daarmee dat `Weer Samen Naar school', het streven van de overheid om risicokinderen zoveel mogelijk in het gewone onderwijs te houden, heeft gefaald?

,,Nee, want sinds mijn onderzoek is er een aantal rapporten van de onderwijsinspectie verschenen waaruit blijkt dat de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs zijn ingekort. Toegegeven, er zijn nog altijd duizend kinderen aangemeld bij de Permanente Commissies Leerlingenzorg, van wie naar schatting 800 in het speciaal onderwijs terecht zullen komen. Maar er is sprake van een stabilisatie. Ging begin jaren '90 nog 3,8 procent van de basisschoolleerlingen naar het speciaal onderwijs, de laatste jaren schommelde dat rond de 3,1 procent.''

In Almere ging twee jaar geleden een project van start met `inclusief onderwijs'. Basisscholen hebben daar geen toelatingseisen en risicoleerlingen worden intensief ondersteund. Een goede zaak?

,,Ik vind het een goed initiatief dat navolging verdient. Scholen moeten kinderen goed onderwijs bieden. Lukt dat niet, dan moet je ze niet doorverwijzen, maar het systeem aanpassen – speciale lesmethoden ontwikkelen, deskundigen aantrekken. Meer diversiteit en flexibiliteit in het reguliere onderwijs inbouwen. Daarmee geef je ook een positief signaal af naar `gewone' leerlingen: risicoleerlingen zijn misschien wat langzamer, maar ze horen er wel bij.''

U bent voor de afschaffing van het speciaal onderwijs?

,,Op termijn? Ja. Want ik ben er stellig van overtuigd dat een samenleving `beschaafder' wordt, naarmate het speciaal onderwijs een minder prominente plaats krijgt toebedeeld. Het is toch veel logischer om de knowhow van het speciale onderwijs over te hevelen naar gewone scholen? Je maakt van scholen dan een soort expertisecentra, waar ruimte is voor een veelsoortigheid aan maatschappelijke problemen. Waar niet alleen gym- en muziekleraren rondlopen, maar ook maatschappelijk werkers en orthopedagogen. Alleen voor een kleine groep leerlingen met multi-complexe problemen, of delinquent gedrag, zou je nog speciaal onderwijs kunnen verzorgen. Maar dan heb ik het over hooguit 2 procent van het totale leerlingaantal.''

Daar is wel een complete herinrichting van de opleidingen tot leraar in het basisonderwijs voor nodig.

,,En waarom niet? Van basisschoolleraren wordt nu verwacht dat ze én geschiedenisles geven, én computerles én rekenles. Waarom zou je ze niet tot vakdocent opleiden, net als in het voortgezet onderwijs? Die gespecialiseerde docenten `expressievakken', `zaakvakken' en `taal- en rekenen' zet je allemaal voor dezelfde klas. Moet u zich eens voorstellen wat daar voor didactische en pedagogische impuls van uitgaat!''