Of Prins in de hemel kon komen

Nederland is vol goede bedoelingen als het om dieren en de natuur gaat. Er bestaan flora-, fauna-, gezondheids- en welzijnswetten. Maar dieren hebben er niet veel aan. `Het schort aan een werkelijk, breedgedragen medeleven met dieren in de bio-industrie, en het schort evenzeer aan een werkelijk, breedgedragen begrip voor de positie van dieren in wat we het wild noemen.'

Stel dat je bij Harderwijk bent en een ree aanrijdt. Of dat je ziet dat iemand anders een ree aanrijdt. Het dier ligt gewond in de berm. Of het is dood en je ziet dat het een zogend wijfje was, dat er een hongerend kalf in de buurt moet zijn. Wat te doen?

Je kent natuurlijk de Flora- en faunawet, artikel 2, lid 1: `Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten.' Of sterker nog, artikel 36, lid 3 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren: `Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.'

Je neemt het dier mee naar huis en zet het zolang in een hoekje in de garage. Je vreest weliswaar dat je een ree, of haar kalf, op deze manier voorgoed ongeschikt maakt voor de natuur, maar je hebt tenminste aan je zorgplicht voldaan.

Fout!

Je mag geen dieren meenemen uit het bos en je mag ze zeker niet, zoals de wetgever het zo treffend uitdrukt, `onder' je houden.

Nu zijn er opvangcentra waar reeën professioneel worden behandeld, zodat ze wél terug kunnen in de natuur. Maar die verkeren formeel in dezelfde situatie, ook die mogen geen reeën onder zich houden. Hun werk wordt door de overheid genegeerd, dan wel gedoogd.

Op 16 augustus 2001 heeft de Stichting Reeënopvang Nederland voor haar leden vergunning aangevraagd voor het vervoeren, verzorgen en na herstel weer terugplaatsen van hulpbehoevende reeën. Voor de afhandeling van dergelijke aanvragen heeft het ministerie van LNV het agentschap LASER in het leven geroepen, Landelijke Service bij Regelingen.

Op 2 november 2001 werd de vergunning geweigerd, op 12 december 2001 tekende de stichting beroep aan en op 13 mei 2003 werd de vergunning opnieuw geweigerd.

Letterlijk: `Nu derhalve de intrinsieke waarde van zieke of gewonde dieren evenzeer moet worden gerespecteerd als de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier, de opvang van zieke en gewonde reeën niet in het belang van de soort is en reewild wordt gereguleerd vanwege landbouwschade en verkeersveiligheid, verklaar ik uw bezwaar ongegrond.'

Het venijn zit hier in het begin, de intrinsieke waarde van zieke en gewonde dieren. Het begrip intrinsieke waarde stamt, voor zover ik kan nagaan, uit een vroege versie van de Wet op de dierproeven (1977) en de overheid bedient zich ervan om aan te geven dat een dier voor haar meer betekent dan alleen maar zijn nut voor de mens. Je zou zeggen: des te beter voor het dier. Maar voor een aangereden reegeit in de berm van de Zuiderzeeweg bij Harderwijk betekent het dat zij, met alle respect uiteraard, kan creperen. Zorgplicht? Wegwezen! Of roep een priester om dat formulier van het agentschap LASER te laten voorlezen.

Nu haal ik dit geval niet aan om verontwaardiging op te wekken. Er zijn, zelfs als je je wilt beperken tot het leven der dieren, in Nederland waarachtig wel andere dingen om je over op te winden. Nee, ik wil maar zeggen: zo gecompliceerd is de regelgeving.

Ik geloof grif dat de overheid alles in het werk stelt om betrouwbaar te zijn. Zij stapelt consequentie op consequentie – tot het kaartenhuis in elkaar stort.

De Stichting Reeënopvang Nederland heeft een advocaat in de arm genomen en stapt naar de bestuursrechter.

Ander voorbeeld: otters.

De otter was bij ons uitgestorven, sinds 1987 al, en we wilden hem terug, en dat mocht wat kosten, miljoenen! Vorig jaar juli konden eindelijk vijftien dieren worden uitgezet in de Weerribben. De staatssecretaris kwam er speciaal voor uit Den Haag.

In korte tijd waren er van die vijftien otters acht dood of verdwenen, hun zenders zwegen. Bovendien bleek er van alles te zijn misgegaan bij het vangen van de dieren in hun leefgebieden in Oost-Europa, waar ze waarschijnlijk onbekommerd van hun intrinsieke waarde zaten te genieten. Ze waren gewond geraakt in vallen of zelfs gestorven onder verdoving.

In een artikel in Vrij Nederland, mei dit jaar, werd de schuld voor alle narigheid in één machtige armzwaai op Addy de Jongh van de Stichting Otterstation Nederland geschoven. Landgenoten die hun incompetentie in een stichting onderbrengen, natuurlijk!

Wat later kreeg ik van Addy de Jongh een brief waarin bij beschreef hoe hij, jarenlang en met de laagste middelen, was belasterd en gedwarsboomd door ambtelijke en halfambtelijke diensten (en hoe het ministerie hem ten slotte met een verkeerd gedoseerd narcosemiddel op pad had gestuurd). En het grappige is: dat geloof je ook meteen. Ambtelijke en halfambtelijke diensten die zelf met de eer (en het budget) willen gaan strijken, natuurlijk!

Minister Veerman had het otterprogramma intussen opgeschort voor een tussentijdse evaluatie. Onlangs heeft hij toestemming gegeven voor hervatting ervan. Addy de Jongh, hoewel nog in afwachting van excuses uit Den Haag, voelt zich gerehabliliteerd. Hij draait in ieder geval weer gewoon mee.

En nog een voorbeeld: paling.

We kennen in Nederland gevangen paling en gekweekte paling. De dieren worden in zout gedood, ze stikken in hun eigen slijm. Dat is een wrede manier van doen en de overheid verwacht van de palingkwekers dat ze iets beters bedenken. Daar is wat voor te zeggen: zij houden de dieren hun hele leven in gevangenschap, zij moeten dan ook maar voor een nette dood zorgen.

Je kunt paling in een ijskoud pekelbad stoppen. Het dier wekt dan snel de indruk dat het verdoofd is, maar je meet nog wel hersenactiviteit. Je kunt paling ook elektrocuteren. Dan raakt het dier meteen in coma en beleeft het kennelijk geen pijn meer. Onderzoek naar dergelijke methoden kost veel geld, en een eventuele commerciële toepassing ervan uiteraard nog veel meer.

En dan: straks wordt gekweekte paling op een humane manier gedood, maar wie zorgt dan dat dat ook met gevangen paling gaat gebeuren? En als we dat in Nederland doen, doet Europa het dan ook? En als we dat met paling doen, wordt er dan ook iets geregeld voor haring en kabeljauw? Vissen die uit zee worden opgehaald gaan zeker zo beroerd dood als palingen in een zoutvat.

We leven kortom in een geordende samenleving, een land vol ambtenarij, botsende belangen en geritualiseerde politieke processen. En het pijnlijke is: reeën, otters en palingen

leven ook in dit land.

Louis Ferdinand Céline observeerde het lot van paarden aan het front in de Eerste Wereldoorlog. Hij schreef: `Paarden hebben geluk, want ze moeten wel aan de oorlog meedoen, net als wij, maar ze hoeven niet te zeggen dat ze het fijn vinden en net te doen alsof ze erin geloven.'

Reeën, otters en palingen hoeven niet net te doen alsof ze geloven in onze flora-, fauna-,

gezondheids- en welzijnswetten. Je kunt gevoeglijk aannemen dat ze daar geen weet van hebben. Dat geluk hebben ze dan. Maar dat betekent ook dat ze er niet op kunnen inspelen. Ze zouden alleen, in het algemeen gesproken, kunnen proberen om zo ver mogelijk bij mensen weg te blijven. Maar ver weg bij mensen bestaat niet meer, in de wereld niet en in Nederland al helemaal niet. Ver weg bij mensen zijn alleen nog maar de sterren.

Ik denk al lang na over dieren. Ik herinner me dat ik, toen ik nog een kleine christen was, op een avond mijn moeder ongerust naar boven riep om te vragen of Prins wel in de hemel kon komen. Prins was de Duitse herder van tante Elly.

Het is zo'n beetje vijfentwintig jaar geleden dat ik ook over dieren begon te schrijven, eerst een stuk over het gedrag van huismussen, daarna algauw een reportage over Schiermonnikoog tijdens de najaarstrek.

Iemand had gezegd dat de wadden voor bepaalde vogels onvervangbaar waren. Onvervangbaar, dat klonk zowel omineus als exact. Ik dacht: dat moet iemand dan wel kunnen bewijzen. Een fantastische nacht op de kwelder.

Het dier in zijn biologische context, al die subtiliteiten in de toch altijd zo hachelijke wisselwerking tussen het levende organisme en zijn omgeving. Het dier met zijn mogelijkheden en beperkingen, zijn zintuigen en beslissingen. En voortdurend een ondertoon van bewondering – de prestaties die door dieren worden geleverd om deze aarde, al is het nog zo kort, te kunnen bewonen.

Als iedereen, dacht ik, maar eenmaal weet wat ik weet. Als iedereen, dacht ik, ruimte maakt voor dieren in zijn hoofd, dan ontstaat er vanzelf ruimte voor dieren om ons heen.

Gewoon een kwestie van beschaving.

Zelfs huisdieren heb ik in mijn werk aanvankelijk vooral in hun biologische context benaderd. De hond was nooit ver weggeweest, maar nu kwam ook de koe naar voren. Wat wil de koe. In feite vraag je dan hoeveel natuur er nog zit in een koe. Antwoord: verontrustend veel.

Bij sommige biologen en een enkele ethicus valt een merkwaardige ongevoeligheid voor het lijden van dieren in de bio-industrie te bespeuren. Het zou hun niet aangaan. Zij rekenen deze dieren evenmin tot de natuur als tafels en stoelen. Ze (de dieren) zijn zo verminkt dat ze alleen nog maar kunnen worden afgeschaft.

Nu is het een feit dat de bio-industrie weinig moois van een dier overlaat, maar voor het overige zou ik zeggen: breng eens een bezoekje aan het slachthuis en kijk dan maar eens of varkens en kalveren werkelijk net zo terugkijken als tafels en stoelen.

Was het werkelijk gelukt om alle natuurlijke behoeften uit landbouwhuisdieren weg te fokken, dan zouden we nog steeds zuinig op ze moeten zijn (als op tafels en stoelen), maar dan was hun welzijn inderdaad niet meer aan de orde. Maar dat is niet gelukt. Het zijn juist de restanten natuur in deze dieren die ze ontvankelijk maken voor stress en ander ongerief. Het is in hun natuur dat deze dieren geweld wordt aangedaan. En alleen met referenties aan de natuur, hoe gecompliceerd dat ook ligt, kan iets voor hun welzijn worden gedaan.

Goed, van het dier in zijn biologische context had ik intussen wel wat opgestoken. De afgelopen twee jaar heb ik het dier vooral in zijn maatschappelijke context willen bezien, ónze maatschappelijke context.

De natuur is wreed. Of je haar nu vanuit de bijbel of Darwin beschouwt, de natuur blijft een gruwelfilm. Maar de vraag is niet hoe de natuur voor dieren zorgt, de vraag is hoe wij voor dieren zorgen. Ik bedoel uiteraard: nu wij de verantwoordelijkheid zo gretig overnemen.

Toen ik met De levende have begon, was ik half en half van plan iedereen te vragen of hij, waar dan ook in Nederland, een dier wist dat niet onder onze invloed leeft. Het zou een flauw spelletje zijn geworden. Koud- of warmbloedig, gewerveld of ongewerveld, elk dier komt ons tegen, en als je ons tegenkomt, kom je onze regels tegen.

Vroeger had je het fraaie adagium: alles is overal en de natuur selecteert. Maar dat moet allang zijn: alles is bijna nergens meer, tenzij met permissie van de mens.

Ik zeg niet dat alle dieren er even zwaar onder gebukt gaan, ik zeg wel dat de druk gestaag toeneemt en nooit meer zal afnemen. En dat is ook precies wat we willen: we zetten het land naar onze hand en nemen de dieren en passant mee. Wij bepalen de condities, wij stellen de grenzen. Je kunt dit een benauwende gedachte vinden, je kunt ziek worden van al dat gehannes met dieren, je kunt het gevoel krijgen dat doodknuppelen soms nog beter is dan doodknuffelen, maar het is niet anders: onze regels zijn de regels. We moeten dus maar zorgen dat ze in orde zijn.

Nu schort het niet aan goede bedoelingen en joyeuze gebaren (`een ieder is verplicht'). Het schort aan een werkelijk, breedgedragen medeleven met dieren in de bio-industrie, en het schort evenzeer aan een werkelijk, breedgedragen begrip voor de positie van dieren in wat we het wild noemen.

Mensen geven kapitalen uit aan maaltijden voor de hond of de kat en beknibbelen op elk dubbeltje voor een karbonade voor zichzelf. Voor een ongelukkige kanarie is er acupunctuur en een ongelukkige pony gaat in psychoanalyse, aan het ongelukkige varken wordt hooguit een vrome gedachte gewijd onder het avondeten – terwijl het met die karbonade op je bord toch echt jouw varken geworden is.

De consument zou een eind aan de intensieve veehouderij kunnen maken uit morele overwegingen. De overheid zou een eind aan de intensieve veehouderij kunnen maken uit politieke overwegingen. Maar ik denk dat de intensieve veehouderij iedereen vóór zal zijn en een eind maakt aan zichzelf uit zakelijke overwegingen.

Sinds 1996, de uitbraak van de gekkekoeienziekte, wordt ons land overspoeld door de ene veeziekte na de andere, steeds bij toeval, steeds door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ook steeds met enorme kosten, barbaars optredende overheidsdiensten en een grote maatschappelijke ontwrichting. Een beetje helderziendheid volstaat voor de voorspelling dat dat zo niet zal doorgaan.

Tegelijkertijd veranderen de omstandigheden op de wereldmarkt. De intensieve veehouderij heeft in Nederland zo'n vlucht kunnen nemen niet ondanks, maar dankzij onze bevolkingsdichtheid. Je ziet de structurele voordelen voor deze bedrijfstak nu bij ons wegsmelten tegenover de nadelen: loonkosten en grondkosten. De concurrentie op prijs – de ziel van de intensieve veehouderij – zal zij op den duur niet kunnen bolwerken.

Maakt het veel uit? Zakelijk en politiek natuurlijk wel, maar moreel? Ik geloof het niet. Ik geloof niet dat één miljoen varkens, of hoeveel er ook zullen overblijven, minder aanspraak op welzijn mogen maken dan tien miljoen.

Van de huidige regering valt op dit terrein overigens weinig te verwachten. Zij heeft haar buik vol van dierenwelzijn. Zij doet wat Europa doet en dat vindt ze meer dan genoeg. Dat is dan toch een verworvenheid van de tragische revolte van Fortuyn: dieren, in het verdomhoekje. Nou ja, ze zitten daar niet alleen.

Zoals er dieren zijn die vlees produceren, zo zijn er ook dieren die natuur produceren. Zij leven niet direct in onze gevangenschap, wel onder onze voorwaarden.

Je komt in de natuur nog wel eens een bordje tegen met de tekst `Geen toegang – vogelbroedgebied'. Dan weet je: dat bosje is er niet voor mij, dat is er voor een havik. Ik heb dat altijd een prettige gedachte gevonden. Maar zo'n bordje is nu hopeloos uit de tijd.

De natuur, zo weten we inmiddels, is er voor ons. De natuur heeft maatschappelijk draagvlak nodig, en als we geen draagvlak kunnen vinden bij de natuur, dan zoeken we natuur bij het draagvlak – avontuurlijke natuur, natuur die kan concurreren met bungee jumping. Zo herscheppen we de natuur naar onze idealen, onze recreatieve behoeften, onze opvattingen over biodiversiteit.

Deze arbeid gaat gepaard met een diepgeworteld wantrouwen jegens dieren die zichzelf wel kunnen redden, die nauwelijks geld en weinig aandacht vragen.

De grutto kon tot in de jaren '70 uitstekend uit de voeten in onze weilanden, de kanoet had tot in de jaren '90 voldoende aan de natuurlijke rijkdommen van het wad. Ontwikkelingen die deze soorten begonnen te bedreigen werden vroegtijdig gesignaleerd. Maar dat is niet de

fase waarin we ingrijpen. Het wachten is tot dieren aan de rand van de afgrond staan. Dan pas, en op voorwaarde natuurlijk dat iemand erin slaagt om het betrokken dier in de gunst van het publiek te krijgen, komen we in actie, en niet zo zuinig ook.

Van de kanoet zou ik het niet weten, maar de grutto lijkt me wel te redden. En dan is zijn aanwezigheid in ons land niet langer zíjn prestatie. maar de onze. Kennelijk is dat wat we het liefste doen: het verbreiden van afhankelijkheid.

Vergeleken met het geld dat wordt besteed aan de bevordering van een diervriendelijke veehouderij gaan er enorme bedragen naar de natuur. Drie à vier miljoen euro aan investeringspremies voor varkensboeren die biologisch willen gaan produceren, 80 miljoen euro voor de inpassing van de A73-Zuid in het landschap.

Dieren die natuur produceren genieten kennelijk meer sympathie dan dieren die vlees produceren. Zo lang het maar geen vossen of muskusratten zijn. En als het een ree is, moet die dus niet zo stom zijn om zich te laten aanrijden.

De natuur is er voor ons, en woningbouw is er ook voor ons, en dijkverzwaring, de A16 en de Betuwelijn, het is er allemaal voor ons. Nu is het maar net hoe de prioriteiten uitvallen. Eén ding is zeker: het is ons goede recht om natuur die we zelf hebben opgebouwd, ook weer af te breken. De moderne natuur heeft bovendien het voordeel dat ze mobiel is. Bevalt ze niet langer op de ene plek, dan verplaats je haar naar een andere.

En als kroon op dit alles hebben we grote grazers, Schotse hooglanders, de tuttigste van alle runderrassen.

Er is een interessante studie van Paul Koene en Bart Gremmen, Wildheid gewogen, over ethologische en ethische aspecten van het beheer van dergelijke kuddes. Want dat is een probleem. We weten niet goed hoe we die dieren moeten laten doodgaan, of we ze mogen laten verhongeren. Naar mijn idee bewijst alleen al het bestaan van zo'n studie hoe diep de grote grazers in ons web verstrikt zijn geraakt, hoezeer ze als producenten van natuur tot onze cultuur behoren.

Nieuwe natuur en grote grazers zijn ons indertijd gepresenteerd als een omwenteling in het natuurbeheer. Eindelijk was het gedaan met het tuinieren, eindelijk zouden we natuur krijgen die, zoals het de natuur betaamt, haar gang kon gaan. Voor Schotse hooglanders betekende dat een geregisseerde verwildering. We hadden ze gedomesticeerd en nu gingen we ze dedomesticeren.

Ik zie hierin meer continuïteit dan verandering. Het dier krijgt gewoon een nieuwe opdracht: hou het landschap open, trap niet op de hazelwormen en wees beleefd tegen de mensen.

Je zou hooguit kunnen zeggen dat het van korporaal tot sergeant bevorderd is.

Het lijdt voor mij daarom geen twijfel dat grote grazers tot de gehouden dieren gerekend moeten worden en dat ze onverminderd onder onze zorg en verantwoordelijkheid vallen. Je hoeft ze niet te vertroetelen, maar je mag ze, hoe je ook over hun intrinsieke waarde denkt, evenmin laten verhongeren. De meeste terreinbeheerders hadden dit overigens zelf al bedacht. Er is nog wel gezond verstand in Nederland, je moet het alleen weten te vinden.

Ik ben al met al niet onverdeeld positief over de maatschappelijke context waarin dieren

leven. Des te mooier is het om toch altijd weer mensen tegen te komen die een eerlijke en gulle betrokkenheid bij het dier aan de dag leggen. Dat gaat van het echtpaar dat zich over een hulpbehoevende kanoet ontfermt tot de slachter die die ene koe niet kan doodmaken, van de melkveehouder die verrukt is van regenwormen tot de wetenschapper die zich inzet voor het welzijn van ratten.

Ik hou van dit soort ontmoetingen. Ik leg het er natuurlijk ook op aan. Ik ben, in ieder geval op dit terrein, voorstander van het harmoniemodel. Oudchristelijke invloeden misschien – in het paradijs leven mens en dier niet van elkaar gescheiden, maar met elkaar in vrede.

Er is liefde in onze omgang met dieren.

Er is harteloosheid in onze omgang met dieren.

Er is vooral veel slordigheid in onze omgang met dieren.

Eigenlijk, dacht ik op zeker moment, gaan we met dieren om zoals we ook met mensen omgaan. Dit had wat van een eindpunt. Er zat iets aardigs in, er zat iets onaardigs in – afijn, iedereen weet zelf wel hoe wij met mensen omgaan. Maar op den duur begon het toch weer te knagen. Zou iedereen ook zelf wel weten hoe bedreigend deze conclusie nou juist voor dieren was?

In de omgang met mensen gaan we uit van wederkerigheid. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. In de omgang met dieren hoef je daar geen rekening mee te houden.

Anders dan mensen beschikken dieren niet over middelen om ons tot een zekere terughoudendheid te dwingen. Zeker, ze kunnen doodgaan. Zeker, dat kan een vorm van protest zijn. Maar dat raakt ons pas als we waarde hechten aan hun leven, en dat is iets waartoe wij ons alleen zelf kunnen dwingen.

Anders dan mensen kunnen dieren ons nooit aandoen wat wij hun aandoen. Dieren exploiteren geen natuurgebieden of slachthuizen. Al hebben ze de klauwen van een slechtvalk, al hebben ze tanden van een adder, al hebben ze het humeur van een pitbull (weerbaarder kan ik het in Nederland niet bedenken) – ze zijn aan ons overgeleverd.

Dieren zijn zo weerloos als tafels en stoelen, en in staat tot lijden bovendien.