Musea die sluiten

Een top-toeristencentrum van het land, het Amsterdamse Museumplein, zal binnenkort twee van haar vier belangrijke hoekstenen moeten missen. Per 1 januari sluiten tegelijk het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum, samen goed voor respectievelijk 1 miljoen en 400.000 bezoekers per jaar. Een ongunstige samenloop. Het Rijksmuseum moet worden verbouwd, maar houdt de Philipsvleugel nog open voor zeventiende-eeuwse kunst. De rest van de collectie wordt uitgestrooid over andere musea in het land. Alleen het Van Gogh museum (anderhalf miljoen bezoekers per jaar) houdt dan nog dapper stand tussen de steigers en zandhopen, met aan de overkant van het plein het Concertgebouw.

Wát er met het Stedelijk gaat gebeuren is onduidelijk. Het gebouw is vervallen, openstelling wordt nu nog ,,gedoogd'' maar op last van de brandweer moet het per 1 januari toch echt dicht. Er is nog steeds geen tijdelijke locatie gevonden om de verpieterende collectie in onder te brengen. Dankzij veertien jaar getalm van het Amsterdamse gemeentebestuur kan er op zijn vroegst pas in 2005 aan de renovatie worden begonnen. Dat is weer onnodig verloren tijd. Het Rijksmuseum gaat pas in 2008 weer open, en hopelijk volgt het Stedelijk snel.

Hoewel geen buitenlands museum van naam nog schilderijen aan het bouwvallige museum durfde uit te lenen, is de Nederlandse naam ,,Stedelijk'' dankzij zijn roemrijke naoorlogse verleden nog steeds een begrip in de internationale kunstwereld. De commissie-Sanders, die de gemeente deze zomer adviseerde over de toekomst van het museum, voorspelde in haar rapport een roemloos einde als er niet snel stappen worden ondernomen.

Toch wekt het zelfgenoegzame Amsterdamse gemeentebestuur niet de indruk erg bezorgd te zijn over het lot van zijn belangrijkste toeristenplein. De eerste restaurants in de buurt moeten al zo nu en dan dicht wegens gebrek aan gasten en na nieuwjaar zouden sommige wel eens kopje onder kunnen gaan. Kunst is niet alleen belangrijk voor de geestelijke vorming, maar ook voor de lokale economie. Goede musea met internationale naam, zoals ooit het Stedelijk, trekken niet alleen vooraanstaande kunstenaars, kunstspecialisten en intellectuelen, maar scheppen ook een aangenaam vestigingsklimaat voor hoogwaardige bedrijven.

Het rapport-Sanders maakt melding van internationale berekeningen waaruit blijkt dat elke euro in de culturele sector anderhalf tot drie euro extra bestedingen in de regionale economie oplevert. Een hoger rendement dan dat van de nieuwe Amsterdamse haventerminal van bijna 140 miljoen euro belastinggeld die al jaren leegstaat. Een nieuw Stedelijk kost een fractie daarvan en levert betere banen op. Afgelopen week heeft het gemeentebestuur besloten om het Stedelijk te verzelfstandigen, zodat het voor de eigen kassa verantwoordelijk is. Bovendien is er 10 miljoen euro extra ingelegd voor de uitbreiding van het Stedelijk, boven de reeds beloofde 57,5 miljoen voor de restauratie. Bedrijven en burgerij moeten met de resterende 15 miljoen komen.

Het is mooi als burgers en bedrijven meebetalen zonder dat daar directe tegenprestaties zoals museale autoshowrooms tegenover staan. Per slot van rekening is het Stedelijk Museum eind negentiende eeuw voortgekomen uit een initiatief van vooruitziende Amsterdamse burgers. Die kunnen pas aan de slag als het gemeentebestuur opschiet en toont dat het zich bekommert om het lot van de hedendaagse beeldende kunst op zijn belangrijkste culturele plein.