Goudplevier

In de nazomer vormen de vogels zwermen; ze verzamelen zich voor de wintervlucht naar het zuiden, hangen landerig rond, hebben weinig om handen. De jonge kieviten zoeken gezelschap van oudere vogels. Maar vooral zoekt de kievit de goudplevier, een kleine steltloper van 28 centimeter grootte, de pluvialis apricarius. Op de Waddenzee zijn de goudplevieren nu bij duizenden waar te nemen. In wolken zwenken ze op, scheren langs de vloedlijn.

De vogel heeft in de baltstijd een melancholieke lokroep, daarom luidt de volksnaam `regenfluiter'. Hij broedt in de noordelijke landen, de winterkwartieren liggen in Engeland, zuidwest-Europa en Noord-Afrika. Goud, ja. Zijn rug is prachtig goudglanzend, schitterend in het herfstlicht. 's Zomers zijn hals en buik gitzwart. Als jongen bezat ik ooit een opgezette goudplevier, ik weet niet hoe ik eraan kwam. De vogel was dof. Het was een spijtig gezicht. Het goud van de goudplevier moet glanzen, de jeunesse dorée onder de vogels.