Geef burgers een echte keus

De kiezer moet niet alleen ja of neen kunnen zeggen tegen een nieuw Europees verdrag, maar ook een inhoudelijke voorkeur kunnen uitspreken, vindt Guido Enthoven.

Er is nu wel een ruime Kamermeerderheid ontstaan voor een referendum over het nieuwe unieverdrag voor Europa, maar het risico van een schijnvertoning is aanzienlijk. Wat te doen als de directe democratie botst met de representatieve, doordat het standpunt van de kiezer niet overeenkomt met dat van de Kamermeerderheid? Niemand weet het. Als de kiezer het verdrag afwijst en de Kamer respecteert dat raadgevende oordeel van de kiezer, dreigt Nederland zich internationaal in een compleet isolement te manoeuvreren. En wie wil dat? Maar een keuze tussen `ja' of `neen' heeft weinig zin als het politiek onbestaanbaar is dat kabinet en Kamer uiteindelijk kiezen voor een `neen'.

Er is een betere manier om de kiezer te raadplegen: leg drie varianten voor van een unieverdrag en laat de kiezer zich daarover uitspreken. De ruimte daarvoor is er, want de ministers van Buitenlandse Zaken hebben onlangs besloten het concept-verdrag open te breken omdat er nog te veel onvrede bestaat over de voorliggende tekst; het ziet ernaar uit dat een nieuw conceptverdrag pas tijdens het Ierse voorzitterschap, in de eerste helft van volgend jaar, gestalte zal krijgen. En de verkiezingen voor het Europese Parlement op 10 juni volgend jaar zouden een goed moment zijn voor zo'n anders opgezet referendum.

De drie voor te leggen varianten zouden een beknopt en samenhangend antwoord moeten bieden op de belangrijkste keuzes waarover nu onderhandeld wordt door de ministers van Buitenlandse Zaken. Daaronder vallen de positie van een nieuwe voorzitter van de Raad van Ministers, de rol en omvang van de Commissie, de eenheid in het buitenlands beleid, het vraagstuk van meerderheidsbesluitvorming en de positie van het Europees Parlement.

Geef de kiezer dan niet alleen de kans om voor variant A, B of C te stemmen, maar ook om per thema een voorkeur uit te spreken. Dan zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat 76 procent van de burgers van Europa vóór eenheid in het buitenlands beleid van de Unie is en dus voor meerderheidsbesluitvorming rond dit onderwerp zolang ieder land maar zelfstandig kan blijven beslissen over de inzet van de eigen militairen. Misschien blijkt ook dat een groot deel van de Europese bevolking niet zo hecht aan een continue vertegenwoordiging van zijn land in de Commissie, indien dit de slagkracht van de Commissie ten goede komt en de Commissieleden rouleren.

Zo'n referendum levert uitermate relevante informatie op voor de ministers van Buitenlandse Zaken die onderhandelen over het concept-verdrag. Met zulke gegevens kunnen ministers en regeringsleiders met meer informatie, gezag en draagvlak komen tot een verdrag dat zoveel mogelijk de wensen en voorkeuren van de Europese burgers weerspiegelt.

Natuurlijk zijn er problemen. Het is lastig om drie varianten te ontwikkelen met verschillende keuzes op de belangrijkste thema's. Daarnaast wil de burger waarschijnlijk helemaal niet worden lastiggevallen met dergelijke complexe keuzes. Ook kan zo'n raadpleging gemakkelijk leiden tot moeilijk te interpreteren voorkeuren. Wat als de verhoudingen rond een thema sterk uiteenlopen, in de zin van elk 30 procent van de stemmen?

Maar daar zijn antwoorden op. Het is allicht eenvoudiger drie varianten te ontwikkelen dan één conceptverdrag uit te onderhandelen. Burgers blijken wel degelijk geïnteresseerd in onderliggende thematische afwegingen, gezien de anderhalf miljoen mensen die bij de laatste verkiezingen op eigen initiatief de Stemwijzer invulden. En modale kiezers moeten zich wel een afgewogen oordeel vormen over een nog veel complexer vraagstuk, namelijk welk Kamerlid/welke partij hem het beste zou kunnen vertegenwoordigen, gegeven de politieke standpunten over veiligheid, integratie, zorg, kenniseconomie én Europa. Sommige wensen kunnen inderdaad tegenstrijdig of multi-interpretabel zijn, maar het levert allicht meer relevant inzicht en informatie op dan de huidige situatie van `niet-raadpleging'.

Bovendien kan Nederland een zelfstandige koers varen. Niets verbiedt Balkenende om als één van de drie varianten het concept-verdrag voor te leggen zoals dat waarschijnlijk in Ierland wordt vastgesteld. Hij kan de Europese partners laten weten dat de definitieve besluitvorming door de Nederlandse regering en het parlement pas zal plaatsvinden na 10 juni en dat de resultaten van het raadplegend referendum nadrukkelijk zullen worden meegewogen.

Ook al zijn er praktische bezwaren, zo'n benadering zou een doorbraak betekenen voor de democratie op Europees niveau. Wat is nu te prefereren: een door Europese beslissers bereikte package deal die in een aantal landen aan de bevolking is voorgelegd via een `ja-nee'-referendum, waarbij `nee' geen reële optie is? Of een nieuw Unieverdrag dat in een aantal belangrijke thema's en lijnen gegrondvest is op de actieve wensen en voorkeuren van Europese burgers?

Ach Europa. Bijna vijftig jaar; en nog ben je van niemand. Misschien wordt het tijd je kinderen te vragen de waarheid over je te zeggen. Maar dan moet het wel om de échte vragen gaan.

Guido Enthoven is directeur van het Instituut voor Maatschappelijke Innovatie.