Gedogen is helaas van gisteren

De Nederlandse samenleving kan alleen haar samenhang behouden als verantwoordelijkheid wordt teruggeduwd naar het morrende klantenvolk en als het waagstuk Europa serieus wordt genomen. Op de Amerikaanse manier de boel bij elkaar houden, werkt bij ons niet, meent Ben Knapen.

Bijna een jaar geleden zei de Amsterdamse burgemeester Job Cohen dat we ons zorgen moeten maken dat we de boel niet bij elkaar kunnen houden. Om uiteenspatten te voorkomen, zou iedereen zich wat meer moeten matigen in zijn of haar uitlatingen. Letterlijk zei hij in de Cleveringa-lezing: ,,Respect betekent dat het wenselijk en mogelijk kan zijn om een negatieve reactie op meningen en gedragingen van anderen te onderdrukken als daarmee een hoger doel gediend is.'' Zo'n hoger doel zou dan kunnen zijn ,,dat wij liever de boel bij elkaar houden en de diversiteit van alle Nederlanders respecteren dan dat wij de boel uit elkaar laten knallen''.

De vraag is wat precies met deze `boel' wordt bedoeld.

Wie om nadere definities vraagt, krijgt meestal een beeld voorgeschoteld dat misschien het treffendst is gevangen in een reclamespot van de Postbank van een paar jaar geleden: ,,15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde''. Dat is een droomwereld, een idylle, zoals dat bij reclamespots hoort, maar toch ook gebaseerd op een collectief beeld.

In dit zelfbeeld beschouwt Nederland zich als een land zonder kapsones, doortrokken van cultureel-religieuze diversiteit, knus, gezellig, tolerant, open, vredelievend, maar ook noest in de strijd tegen het water, zonder veel rangen en standen, maar wel met burgerlijke deftigheid, ingebed in een traditie van spanning tussen handelaren en predikanten en al sedert de waterschappen van de Middeleeuwen geïmpregneerd met een consensustraditie.

Daarnaast en daarbovenop heeft zich een culturele revolutie in de jaren zeventig voltrokken die dit zelfbeeld eigentijds heeft ingekleurd. Al deze bestanddelen zijn kenmerkend voor het Nederlandse zelfbeeld, en vormen het bewuste en onbewuste referentiekader om anderen – vreemdelingen, vreemde landen en volkeren – aan te meten.

De dagelijkse werkelijkheid is echter een heel andere dan dit zelfbeeld suggereert. Daar zijn tal van redenen voor, maar de allereerste is natuurlijk de immigratie. Nederland heeft de laatste vijftien jaar een half miljoen allochtonen toegelaten – evenveel als alle immigranten tezamen in de periode van de Beeldenstorm tot aan de Napoleontische tijd. De hier tot voor kort wezensvreemde islam is inmiddels de derde godsdienst van Nederland geworden, kleiner dan katholicisme of de hervormde kerk, maar al veel groter dan het ledental van de gereformeerde kerk.

In de immigratiegolf van de jaren tachtig en negentig zijn alle historische en andere ervaringen in de wind geslagen. De allochtoon lijkt in niets op de traditionele immigrant – de allochtoon is bovengemiddeld vaak ziek, afgekeurd, werkloos, in de bijstand en dat is precies het omgekeerde van wat eeuwen van immigratiegeschiedenis en ervaringen in echte immigratielanden tot nu toe leren. Dat wil zeggen, nieuwkomers hebben zich veel minder dan normaliter bij immigratie het geval is, moeten, c.q. mogen opwerken aan en in het nieuwe land, en dat heeft verstrekkende gevolgen voor de `boel'.

Na `Fortuyn' wordt nu ook achter de multiculturaliteit in zekere zin een punt gezet. De modieuze mantra daarvoor luidt `inburgeringscursus' waarbij de ene partij de allochtonen nog ernstiger naar de schoolbank dwingt dan de andere. Ze zullen zich, verdorie, aanpassen.

Maar inburgeren waarin?

In het alledaagse Nederland zijn niet zoveel burgers meer, de BV Nederland heeft er consumenten van gemaakt. De quartaire sector heeft zich in dezelfde vijftien jaar naar de bedrijfskundige Angelsaksische mode van die tijd weten te pseudoprivatiseren. Dat leidde tot mooie gebouwen, tot het jargon van de business units, tot marktconforme salarissen en tot klant-leverancierverhoudingen. Dit hebben we geweten. Want terwijl het in diverse sectoren – met name de gezondheidszorg – nog niet eens zo slecht is gesteld, is de hulpbehoevende burger hier ook klant geworden, en gedraagt zich zo. En de klant is koning en schreeuwt dus moord en brand.

Dat is maar beperkt de schuld van de politiek, want het is de samenleving zelf die grondig verandert. De samenleving die wij willen behouden, is er niet, of wat bondig samengevat: wij voeren veel meer Amerika in ons maatschappelijk leven binnen dan nog te verenigen is met ons zelfbeeld.

Van de schone schijn van vriendelijke omgangsvormen neemt Nederland in de praktijk in snel tempo afscheid. Het meest pregnant valt dit te zien in de juridisering van alle binnenlandse betrekkingen. Smartengeld is aan de orde van de dag, de bedragen worden groter, de omgangsvormen rauwer en meer door euro's ingekleurd. Volendam is een intrigerend voorbeeld van het breukvlak waarop we ons bevinden. Enerzijds hebben slachtoffers en nabestaanden van de cafébrand zich georganiseerd om verhaal te halen en schade te claimen – zowel voor te derven inkomsten als voor berokkend leed. Anderzijds is Volendam nog een hechte, traditionele gemeenschap, waar je kroegbaas Jan Veerman kent, waar je weet dat hij het ook niet expres heeft laten gebeuren en waar iedereen met elkaar verder moet in het dorp. Het gevolg is dat de slachtoffers met een steen in hun maag voor de rechter verschijnen, beetje zelfbewust, erg verdrietig en een beetje beschaamd, dat sommigen vervolgens afhaken en dat kastelein Veerman het ook onderhand wel welletjes begint te vinden. Dat is de ouderwetsere kant van het verhaal, dat we op elkaar zijn aangewezen en met elkaar verder moeten.

In deze schemerzone tussen vertrouwde gemeenschapscultuur en de moderne claim van het individu tegen de anonymus vertoeft Nederland vaker, maar de looprichting is helder. Wij gaan anders met elkaar om – in plaats van common sense vechten wij het uit, en we doen dat omdat we kennelijk aan het alternatief niet meer die waarde toekennen die het had.

In een ander belangrijk deel van de samenleving, in het bedrijfsleven, dringen Amerikaanse mores naar voren. De sleutelbegrippen zijn er accountability en transparancy. Iedereen juicht het toe en het is ook onvermijdelijk. Maar het staat wel haaks op Holland. Het verdraagt zich slecht met het poldermodel van het compromis, slecht ook met de vaderlandse deugd van discretie. Rijkdom wordt zichtbaarder, matelozer, luidruchtiger ook. Niet alleen kun je de dingen lezen in jaarverslagen, er duiken in allerlei glossy bladen Nederlandse rijken op die ook de camera's niet schuwen en wonen in huizen die regelrecht uit de Amerikaanse gateway-communities lijken te zijn verplaatst. Onlangs bracht eentje het hier zelfs even tot minister.

In meer algemene zin is er een voortschrijdend proces van life style beïnvloeding waarbij Amerika de toon zet. In de literatuur met de chick-lit, in de film, in de soaps, in de muziek. Wat vroeger zo kenmerkend was voor Nederland – namelijk het gezicht in de plooi, nuchter en geen kik – dat is volslagen verkeerd in het tegendeel. Mensen huilen op televisie, ze trouwen live, ze brengen kinderen live ter wereld en ze sterven desnoods live. Het openbaar uiten van gevoelens geldt inmiddels als positief, wat in zekere zin tot een vervaging van de publieke en private sfeer heeft geleid.

Als wij zoveel maatschappij uit Amerika importeren en we willen de boel bij elkaar houden dan is de vraag: hoe houdt Amerika de boel bij elkaar?

In elk geval niet door sociale controle, niet door het cultiveren van vele Volendams. Daarvoor zijn Amerikanen te veel on the move – tot zo'n 10 procent van alle Amerikanen verhuist gemiddeld per jaar en zeker in het zomerseizoen hangen de U-hauls – de moeder aller boedelbakken – aan de trekhaak. Het beeld van Amerika is dat van een karavaan, dat van Europa altijd nog van een citadel.

Bijeengehouden wordt het land ook niet doordat mensen geen aanstoot geven, zich in hun opvattingen of meningen beperkingen opleggen om niet te kwetsen om zo – Cohen nog eens aanhalend – een hoger doel te dienen. De vrijheid van meningsuiting, van gesproken en gedrukt woord, zit er sedert het First Amendment zo diep in dat het bijna sacrale betekenis heeft gekregen. Mensen debatteren niet versluierd, en ze verlaten na gepaste egards al snel het toneel van the flag, motherhood and apple-pie.

Bij elkaar gehouden wordt Amerika ook niet door enige matiging in inkomensverschillen of in matiging bij de gangbare juridische roofzucht. Nooit eerder in de laatste honderd jaar zijn de inkomensverschillen in Amerika zo groot geweest als de laatste tien jaar, onder de presidenten Clinton en Bush.

Alexis de Tocqueville diagnosticeerde meer dan anderhalve eeuw geleden als verbindende driehoek die in Amerika alles bij elkaar hield: individualisme, locale democratie en religie. Dat individualisme deed zich in mooiere en lelijkere vormen voor, als streven om met hard werken een betere toekomst te verwezenlijken voor zichzelf en het gezin maar ook als particulier egoïsme. Dit individualisme is als karaktertrek van een immigratieland altijd gebleven. Later is het wel geromantiseerd door wat president Theodore Roosevelt noemde de unieke vaardigheid van de Amerikaan tot eenzaamheid. En het is dan verleidelijk om zich de lonesome cowboy voor te stellen die westwaarts rijdt, altijd westwaarts. Dat individualisme is tot op heden pregnant, met de uitwassen van een culture of narcissism maar ook de vanzelfsprekendheid om als individu verantwoordelijkheid te nemen en met een soms vermoeiend, soms aanstekelijk, soms riskant, soms onverantwoord soort can do optimisme.

Lokale democratie is een tweede wezenskenmerk. Alle Amerikanen zijn vertrouwd met het `running for office', vanaf de leerlingenraad tot de sheriff, van de elderman tot de president. Gepaard daarmee gaat ook een diep respect voor wetten en regels. Wetten worden weliswaar nergens zo grootscheeps overtreden als in Amerika, maar nergens wordt dat dan ook weer zo rücksichtslos gecorrigeerd met maatregelen. Wie het niet eens is met een voorschrift zal via de lokale democratie daar verandering in willen brengen, maar tot die tijd geldt `it's the law'. De gewoonte hier te lande om te sjoemelen, om dingen door de vingers te zien teneinde een zaak niet op de spits te drijven, is Amerikanen geheel en al vreemd. Het woord `gedogen' valt zelfs niet te vertalen. Gepaard hiermee gaat een groot respect voor ambtsdragers – een grote mond tegen een agent past niet en wordt ook fiks afgestraft en een president wordt omgeven met parafernalia van het ambt die op dragers van onze doe-maar-gewooncultuur vaak potsierlijk overkomen.

Religie – de derde pijler – was vanuit het perspectief van De Tocqueville meer dan geloof. Het was een hele set van gedeelde morele waarden over de samenleving, en het was daarnaast ook nog eens het protestantisme, dat wil zeggen, het ging uit van autonomie, van naast elkaar bestaan van denominaties en niet van hiërarchie. Religie is in Amerika dominant gebleven, en sedert in Europa de grote secularisatie heeft ingezet, vormt het waarschijnlijk de grootste scheidslijn tussen de twee delen van het westen. Amerika heeft weliswaar ook een jaren-zeventiggolf gekend, maar waar deze hier is geïntegreerd in samenleving en instituties, is er in Amerika al in de jaren tachtig weer geleidelijk aan een punt achter gezet. Het fenomeen van de reborn christian is er aanzienlijk sterker dan wat we hier als EO-activisme kennen. Kerkgemeenschappen vormen de levendige communities, waar de almaar verhuizende Amerikaan overal in het land zichzelf en zijn gezin weer kan inpluggen. Praktisch afwezig en in elk geval in dit judaeïsch-christelijke land een Fremdkörper, is de islam.

De Tocqueville kwam met zijn zijn analyse toen Amerika goeddeels een agrarisch land was met niet meer dan dertien miljoen inwoners en des te verbluffender is dat het nog altijd zo bruikbaar is. Bij elkaar gehouden wordt deze driehoek van individualisme, lokale democratie en religie door een alles verbindend geloof in het concept Amerika. Amerika is niet zomaar een bevrijde kolonie als Canada of Australië, het is door de founding fathers geconstrueerd als een samenlevingsideaal. Elk kind begint de schooldag 's ochtends met de rechterhand op de linkerborst en de woorden ,,I pledge allegiance to the flag of the United States of America, to the Republic for which it stands, one Nation under God, with Liberty and Justice for all''. Het is een krachtige inburgeringscursus en die leent zich bij Amerikanen nooit voor relativering, voor ironie of een knipoog.

Zo wordt Amerika dus bij elkaar gehouden. Althans met mate, want er is ook altijd nog de ruimte. Wie het ergens niet bevalt, pakt de U-haul en trekt verder. De taal is overal dezelfde. En op gezette tijden spat de boel overigens ook uit elkaar. Meestal slaat de vlam in de pan wanneer er iets racistisch naar boven komt – een agent die te snel schiet of erop slaat.

Biedt dit alles nu aanknopingspunten voor ons land? Het antwoord is niet erg eenduidig. Want enerzijds komen diverse elementen van de Amerikaanse samenleving deze kant op, en leidt dat tot middelpuntvliedende krachten op het type samenleving zoals dat hier werd gekend en als ideaalmodel nog graag wordt gekoesterd. Maar anderzijds ontbreekt hier geheel en al de lijm om op Amerikaanse manier alle losse delen enigszins aan elkaar te plakken.

Wat zou die lijm hier kunnen zijn?

De Nederlandse minister-president had het onlangs over de noodzaak tot meer Oranje-gevoel en het is zeker toe te juichen dat de kroonprins en zijn vrouw wat meer werk willen maken van hun symboolfunctie om ook allochtonen hier sneller te laten aanhaken. Maar verder is het Oranje-gevoel toch te zeer van onderscheiden idealen voorzien om te kunnen fungeren als gloedvol bindmiddel. De monarchie zelf heeft de betekenis en reikwijdte niet om dit gat te vullen, en in een democratie is dat maar goed ook. Ook vroeger is de staat nooit het bindend element geweest – dat waren de zuilen, de staat was hooguit het pacificerend moment daarboven, niet een zingevend instituut.

Omdat het juist dit fenomeen Amerika is dat zich heeft ontwikkeld tot dominante supermogendheid, is de wisselwerking tussen beide, tussen die machtige staat en diens machtige cultuurpatroon, heftiger geworden. De eerste en meest authentieke reactie van de toenmalige premier Kok op de elfde september was er een van rustig aan doen en vragen aan Amerika om vooral niet te overreageren. Dat werd een paar dagen later wel wat gecorrigeerd, maar het idee in eigen land geen dingen op scherp te zetten, speelde ongetwijfeld mee, `kalmpjes aan' als intuïtieve Nederlandse reflex om de zaak bij elkaar te houden. Toen begin dit jaar de oorlog tegen Irak aanstaande was, informeerde burgemeester Cohen voorzichtig hoe Defensie en Binnenlandse Zaken dat gedacht hadden wanneer er onrust zou uitbreken. We ervaren `de boel bij elkaar houden' inmiddels als een precaire aangelegenheid.

Wat betekent dit alles dan voor de zo nastrevenswaardige cohesie?

Vast staat helaas dat het onderdrukken van negatieve reacties op meningen en gedragingen om daarmee een hoger doel te dienen, geen begaanbare route meer is. Cohens oproep is begrijpelijk en sympathiek, maar sociale controle om met thema's prudent om te springen is er niet meer. Zo is ook Nederland niet meer. Een half uurtje bladeren op Nederlandstalig internet of een beetje zappen langs de talk- annex babbelshows kan een mens van elke romantische voorstelling van zaken definitief genezen.

Als dat zo is dan zal in elk geval van Amerika te leren zijn dat de informaliteit van het bestuurlijke systeem zo niet te handhaven is. Deze samenleving zal moeten leren omgaan met wetten die worden uitgevoerd en gehandhaafd. Gedogen is helaas van gisteren, van een tijd dat dat nog kon en een mooie uitweg bood voor onnodige conflicten. Nederland wordt hiermee onvermijdelijk een hardere samenleving, meer zwart-wit dan onze natuurlijke schutskleur grijs. Dat is niet altijd gezellig, maar nergens staat dat verandering alleen maar gezelligheid brengt.

Wat daar essentieel bij is en waar Amerika diverse voorbeelden voor geeft, is lokale democratie. De overgang van informaliteit naar formaliteit kan slechts worden gelegitimeerd door actieve deelneming in en verantwoordelijkheid voor regelgeving en personele invulling van bestuur. Dat zal niet per se leiden tot betere bestuurders, vaak juist niet, maar wel tot legitimatie en tot een gewoonte van lokaal zelfbestuur. Een geëmancipeerde, individuelere samenleving valt niet vanuit een Obrigkeit, een overheid, alleen meer te sturen. Dat moet andersom, want de rekening voor emancipatie hoort thuis waar ze thuishoort, bij de geëmancipeerden zelf, die zich zullen moeten omvormen van informele naar formele middenvelden. Bij een hardere samenleving hoort een sterkere overheid en meer democratie. Om dit te bevorderen en ook bij het eigen kiesvolk vastberaden te presenteren, zal de nationale overheid moed moeten betonen, moed om verantwoordelijkheid terug te duwen naar het morrende klantenvolk. Als zeven miljoen burgers een auto kopen en zich als klant in Den Haag melden om filevrij te kunnen rijden, dan klopt er iets niet, om een voorbeeld te noemen.

Noch de schaal, noch het politieke gewicht noch de regie-capaciteit van een land als Nederland is voldoende om te midden van zoveel onbeheersbare invloeden van buitenaf de boel bij elkaar te houden. Dat kan alleen op de schaal van Europa.

Helaas is Europa in ons land door een combine tussen benarde politici en bedreigde burgers voor een deel in diskrediet geraakt, en dreigen we soms in onze klassieke houding van onverschillige afzijdigheid weg te zakken. Dat is buitengewoon kortzichtig. Want feit is dat alleen een federale Europese constructie voldoende kracht kan hebben om in de Europese ruimte zelf invulling te geven aan globalisering en aan enige cultureel-maatschappelijke diversiteit.

Alleen Europa kan zichzelf zowel ten opzichte van Amerikaanse invloeden als van bedreigingen uit Midden-Oosten en vanuit de instabiele wereld van islam en Afrika voldoende sterk maken en tot invulling van identiteit komen die ons, Europeanen – en dus ook, ons Nederlanders – past.

Op het ogenblik ontbreekt er aan Europa van alles – over de gedeelde waarden is het nog vaag, een open politieke klasse ontbreekt, ontwikkeld lokaal bestuur is er in de meeste gevallen niet en bovenal ontbreken gedeeld verleden en dezelfde taal. Het woord `federaal' is er zelfs verboden, laat staan dat mag worden geformulerd waar het gezamenlijke ideaal ligt. Evenmin is in te zien hoe de huidige Europese Unie, die zozeer is geworteld in het economisme, tot werkelijk politiek en mentaal engagement kan leiden. Economisme is immers fnuikend voor elk parlement, het leeft van voldongen feiten en zorgt eerder voor afkeer dan applaus onder Europeanen. De gele sterren op de blauwe vlag en de Onvoltooide van Beethoven zijn povere uitingen als we dat zouden durven vergelijken met de stars and stripes. Elke vergelijking wordt dus geacht verboden te zijn.

Maar toch is het moeilijk voorstelbaar hoe de landen in de Europese Unie – en zeker een klein, relatief open land als Nederland – de boel bij elkaar houden met de beperkte middelen van de natiestaat. Dat bij elkaar houden impliceert namelijk in het oude Europa althans de noodzaak om een hele reeks evenwichten in acht te nemen die kenmerkend zijn voor ons werelddeel en die behoorlijk afwijken van wat Amerika ons te bieden heeft: evenwicht tussen erfgoed en vooruitgang, tussen groei en duurzaamheid, tussen technologische vooruitgang en ethisch besef, tussen kapitaal en arbeid, tussen economy-of-scale en culturele variëteit, tussen vrijheid van en vrijheid voor godsdienst. Het zijn stuk voor stuk evenwichten waar Europa zichzelf wezenlijk anders definieert dan Amerika.

Het zijn evenwichten die even wezenlijk zijn bij een herinrichting van de Nederlandse samenleving, maar die stuk voor stuk te zwaar zijn voor een land als Nederland om in zijn eentje te kunnen tillen. Dat kan alleen op Europese schaal, met Europees gewicht. In de concrete praktijk gaat het dan namelijk altijd om afspraken, om verdragen en daarvoor is een enkel Europees land te klein.

Kortom, als wij de boel bij elkaar willen houden, dan zullen we moeten leven met de werkelijkheid van een ontpolderende samenleving, en ons daartoe ook inrichten. Wij zullen meer democratie moeten opleggen aan vragende klanten die ook weer wat meer verantwoordelijke burgers moeten worden in een modern middenveld, en we zullen moeten werken aan het waagstuk Europa, want Amerika zullen we hier niet echt kunnen of willen worden, en onszelf zullen we niet echt kunnen blijven.

Ben Knapen is lid van de Nationale Adviesraad Internationale Vraagstukken. Dit is een bewerkte versie van de Burgemeesterslezing, die afgelopen woensdag is gehouden.