Droom van integratie is nog geen realiteit

De overheid doet al jaren haar best om meer kinderen met een handicap in het reguliere onderwijs te krijgen. Toch neemt het aantal kinderen op speciale scholen alleen maar toe. Ouders schrikken terug van de hoge prijs en de toenemende druk op leerlingen om te presteren, zeggen critici.

Sinds vorig jaar zit de dertienjarige dochter van Tweede-Kamerlid José Smits op een reguliere basisschool. Ze is zwaar verstandelijk gehandicapt, maar kan toch enigszins meedoen met de lessen. Bij de kringgesprekken doet ze mee. Als de klas gaat rekenen, zoekt zij de getallen uit waarmee ze moeten werken. Smits: ,,Het gaat fantastisch met haar, ze is helemaal opgebloeid. Je ziet dat de andere kinderen haar op sleeptouw nemen.''

Dit schooljaar treedt een oud PvdA-plan in werking, bedoeld om de integratie van kinderen met een zwaardere handicap – blind, doof, slechtziend, spastisch, een ernstige verstandelijke handicap of een gedragsstoornis in het reguliere onderwijs te bevorderen.

Toenmalig staatssecretaris Netelenbos lanceerde dit idee voor de zogeheten leerlinggebonden financiering in 1996 onder de naam `de rugzak'. Begin dit jaar ging de Eerste Kamer, na aanvankelijk tegenstribbelen van het CDA, VVD en SP, akkoord met dit plan. Ouders van gehandicapte kinderen moeten voortaan zelf kiezen of zij hun kind naar een speciale of een reguliere basisschool sturen. Als zij dat laatste doen, krijgt de leerling een `rugzak' met geld mee. Met dat geld kan de school weer extra hulp inkopen bij psychologen, logopedisten of andere specialisten.

De overheid probeert al jaren de instroom in het speciaal onderwijs te beperken. Toenmalig staatssecretaris Wallage (PvdA, Onderwijs) lanceerde al in 1990 het plan om zwak presterende leerlingen zoveel mogelijk op de basisschool te houden. Circa 5 procent van de kinderen tot twaalf jaar zat destijds in het speciaal onderwijs. En dat aantal groeide ieder jaar met name op scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) en scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk).

Die 5 procent is veel te veel, vond Wallage. Niet alleen omdat kinderen in het speciaal onderwijs voor het ministerie bijna drie keer zo duur zijn. Er zat ook een ideologische reden achter. Leerlingen apart houden zou volgens Wallage stigmatiserend werken, en kinderen die moeite met leren hebben, trekken zich daar niet op aan betere klasgenootjes. Het speciaal onderwijs, zei Wallage daarover, is als een fuik. Je zwemt erin en komt er niet meer uit.

De PvdA-er, ook bedenker van de basisvorming waarin alle leerlingen in de onderbouw van de middelbare school hetzelfde pakket volgen, wilde daarom zoveel mogelijk leerlingen van verschillende niveaus bij elkaar in de klas. `Weer samen naar school', zoals het project ging heten, kwam hierop neer: scholen voor speciaal onderwijs en reguliere basisscholen werken samen om zoveel mogelijk kinderen op de gewone basisschool te houden. Ieder jaar mag een school nog maar 2,5 procent van de leerlingen naar het speciaal onderwijs sturen. Scholen kunnen daar bovendien hulp inkopen om kinderen beter te begeleiden.

En daar komt dit jaar het `rugzakje' bij. Jarenlang steggelde de Tweede Kamer over het rugzakje. Zouden scholen door de nieuwe wet niet gedwongen worden om kinderen aan te nemen? En kúnnen gewone scholen dat eigenlijk wel, lesgeven aan kinderen die veel extra zorg nodig hebben? De Protestants-Christelijke Schoolleiders Organisatie (PCSO) concludeerde na onderzoek onder de aangesloten scholen dat meer dan de helft niet in staat was de extra zorg te bieden.

Toch, zegt Kamerlid José Smits, is het belangrijk dat ouders zelf de keuze krijgen. Zelf heeft ze een zwaar gehandicapte dochter van 13 jaar op een reguliere basisschool. ,,Het is ouders altijd erg moeilijk gemaakt om hun kind naar een gewone school te sturen.''

Met het rugzakje hoopt de overheid de toestroom in het speciaal onderwijs definitief te stoppen. Want alle goede bedoelingen ten spijt, steeds meer kinderen komen terecht in het speciaal onderwijs. Volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs is het aantal kinderen in het speciaal onderwijs in tien jaar tijd gestegen van bijna 22.000 naar 33.080. Het aantal kinderen in het speciaal basisonderwijs is na een jarenlange daling sinds 2001 gegroeid met vierhonderd leerlingen tot circa 52.000.

Het overheidsbeleid om het tij te keren is in de praktijk een ordinaire bezuinigingsmaatregel, zegt Arga Paternotte over WSNS. Paternotte is verbonden aan Balans, een vereniging voor ouders van kinderen met leer- en gedragsstoornissen. ,,Kinderen in het speciaal onderwijs zijn gewoon te duur. Maar omdat steeds gezegd wordt dat het om de integratie gaat, is het zo lastig om er tegen in het geweer te komen. Integratie, daar is niemand tegen.

Paternotte is ook niet tegen. Op uitnodiging van het ministerie van Onderwijs mocht ze gaan kijken naar een soortgelijk project in Oostenrijk. Wat bleek: daar stonden gemiddeld twee fulltime leraren voor een klas van twintig leerlingen waarvan er vier extra zorg nodig hadden. ,,Als dat hier ook de praktijk zou zijn, zouden we niet klagen.''

De scholen zijn er niet voor toegerust, zegt Paternotte. ,,Die kinderen nemen allemaal hun eigen pakketje problemen mee waar je rekening mee moet houden. de kennis ontbreekt.'' Het zijn vooral de kinderen bij wie aan de buitenkant niets te zien is zoals kinderen met ernstige dyslexie of ADHD, die het meest lijden, zegt Paternotte. ,,Ze kunnen niet aan verwachtingen voldoen. Laatst hoorde ik dat een leraar tegen een jongen had gezegd: `Ik weet dat je ADHD hebt, maar doe nou eens één keer gewoon.''

Natuurlijk is het fijn als een kind met zijn vriendjes naar school kan, maar bij Balans kloppen ouders aan met verhalen van kinderen die zijn ingestort nadat ze jarenlang op hun tenen hadden gelopen. Paternotte: ,,Ze gaan dan alsnog naar het speciaal onderwijs, maar dan is het vaak al te laat.''

De hoogleraren orthopedagogiek K. Doornbos en L.M. Stevens maakten in opdracht van het ministerie van Onderwijs halverwege de jaren '80 een studie over de groei van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs. Zij wezen het klassikale systeem als grote boosdoener aan.

Volgens de onderzoekers lag regionale samenwerking tussen gewoon en speciaal onderwijs voor de hand. ,,Met elkaar onderwijzen en problemen oplossen is beter dan de een laten onderwijzen en de ander de problemen laten oplossen'', zei Stevens toen. Hij en Doornbos waren als externe deskundigen betrokken bij `Weer samen naar school'.

Hij staat nog steeds vierkant achter het ideaal van WSNS, zegt Stevens nu. ,,Het grote manco van het Nederlandse schoolsysteem is de rigiditeit'', zegt Stevens. ,,Alle kinderen moeten op hetzelfde moment, op dezelfde manier bepaalde dingen leren. Alle zesjarigen moeten rond kerstmis kunnen lezen. Daarmee creëer je problemen, want de een leest sneller dan de ander. Kinderen verschillen nu eenmaal van elkaar. WSNS betekende dat die diversiteit erkend werd.''

Onderzoek van het Cito van drie jaar geleden bestrijdt echter dat het concept van Weer Samen Naar School leidt tot betere leerprestaties. Onderzoeker Frank van der Schoot vergeleek de rekenprestaties van leerlingen op scholen voor lom- (leer- en opvoedingsproblemen) en mlk- (moeilijk lerende kinderen) onderwijs met die van kinderen op reguliere basisscholen. Hun achterstand is volgens het Cito zó groot, dat plaatsing op een gewone school geen zin heeft, aldus Van der Schoot, die ervoor waarschuwde dat steeds meer leraren leerlingen in hun klas krijgen die ze helemaal niet kunnen helpen. Met andere woorden: Weer samen naar school dreigt ,,door te schieten''.

Hoogleraar Stevens vindt het WSNS-beleid niet mislukt. ,,Reguliere en speciale scholen werken nu samen.'' Toch gebeurt dat volgens hem, helaas, alleen op administratief gebied. En dat was nou net niet de bedoeling. ,,De bedoeling was dat de scholen expertise zouden uitwisselen, dat leraren van speciale scholen op de reguliere scholen zouden helpen.''

In dat opzicht, zegt Stevens, ,,zijn we te optimistisch geweest.'' Het is volgens hem de overheid zelf die het WSNS-beleid tegenwerkt door de laatste jaren zo de nadruk te leggen op het meten van prestaties. Scholen zullen zich daarom nog strakker aan het vastgestelde schema houden. ,,Durft een school de leerlingen straks nog wel in hun eigen tempo te laten leren?''

Of het rugzakje tot een grote toestroom van moeilijk lerende kinderen in het regulier onderwijs zal leiden, betwijfelt Kamerlid Smits. Zij heeft aan den lijve ondervonden hoe moeilijk het is om een kind met grote leerproblemen op een gewone school te krijgen. ,,Het speciaal onderwijs is voor ouders veel voordeliger.'' Het budget dat voor het rugzakje is uitgetrokken, kan dat bij lange na niet oplossen, zegt Smits. ,,Van échte leerlinggebonden financiering is geen sprake, want dit jaar gaat nog steeds driekwart van het geld direct naar de scholen voor speciaal onderwijs. Niet naar de ouders.''