De plannen zijn goed, de uitwerking twijfelachtig

De meeste basisschooldirecteuren staan achter de wet die kinderen met een handicap toegang geeft tot het gewone onderwijs. De kritiek richt zich op de uitwerking.

Met ingang van dit schooljaar kunnen gehandicapte kinderen die naar een gewone school willen, daarvoor een `rugzak' aanvragen – een combinatie van geld, materiaal en formatie-uren, waardoor de school in staat wordt gesteld om de benodigde extra zorg te bieden. Maar kunnen basisscholen de verwachte stroom `moeilijke' kinderen wel aan?

Vorig jaar april nog niet. Toen zei tweederde van de basisscholen die meededen aan een onderzoek van PCSO, de vereniging van schoolleiders in het protestants christelijke onderwijs, dat zij de komst van gehandicapte kinderen niet aan zouden kunnen.

Ogenschijnlijk is er in een jaar veel gebeurd. Henk Smid, directeur van Openbare Basisschool de Driebond in Groningen, is er klaar voor. ,,Het is goed dat de basisschool een meer gemengde samenstelling krijgt, zo zit de maatschappij per slot van rekening ook in elkaar. Een slechthorend kind bijvoorbeeld kan goed binnen het reguliere onderwijs functioneren. Bovendien nemen de kinderen een stukje geld mee, waardoor wij ze meer kunnen bieden.'' Ook directeur Huub van der Wal, van Katholieke Basisschool de Vlieger te Zwolle, vreest de komst van gehandicapte leerlingen niet. ,,Voor de school is het een taakverzwaring, maar ik verwacht geen problemen. Ons schoolplan is opgesteld. Wij zijn er klaar voor.''

Ondanks die zonnige opstelling plaatst Van der Wal wel kanttekeningen. Hij maakt zich zorgen over de timing van de nieuwe wetgeving. In 1995 kregen basisscholen al een stroom bewerkelijke kinderen te verwerken door de wet `Weer Samen naar School' (WSNS). Die wet is, net als de Wet Leerlinggebonden Financiering (de Rugzak), bedoeld om integratie van probleemleerlingen met `gewone kinderen' te bevorderen en de groei van het speciaal onderwijs tegen te gaan. ,,Er zijn al veel kinderen uit bijvoorbeeld het lom-onderwijs naar de reguliere basisschool gekomen. Die kinderen doen vaak langer over de basisschool en vragen extra tijd en aandacht. In het project WSNS zitten nog een aantal obstakels die het functioneren van samenwerkingsverbanden belemmeren. Los eerst die problemen op, voordat je de tweede stap neemt en de rugzak introduceert.''

Maar de overheid wilde daar niet op wachten. En dat kan volgens Van der Wal in de toekomst problemen opleveren, omdat samenwerking ook zo belangrijk is voor het functioneren van de nieuwe wetgeving. Zo zijn de speciale scholen in de verschillende regio's per type onderwijs bijeengebracht in regionale expertisecentra (REC's). De expertisecentra zijn onder andere verantwoordelijk voor de coördinatie van de ambulante begeleiding. Het REC moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat een gehandicapt kind op de reguliere basisschool passende (ambulante) begeleiding krijgt vanuit de speciale school. Volgens Piet Klein, directeur van Mytylschool de Ruimte in Bergen, is de communicatie tussen de verschillende scholen echter niet optimaal. ,,De samenwerkingsverbanden zijn te groot. Ons samenwerkingsverband, Noord-Holland, strekt van Texel tot Amsterdam. Ik geloof meer in regionale samenwerking. Daarmee is er meer ruimte voor samenwerking met de reguliere basisscholen. Dat gaat nu moeilijk, maar op de reguliere scholen moet het uiteindelijk wel gebeuren.''

Naast het coördineren van ambulante begeleiding zijn de expertisecentra ook verantwoordelijk voor het inrichten van een Commissie voor de Indicatiestelling (CvI). Deze Commissie bepaalt voor welk type onderwijs een gehandicapt kind in aanmerking komt. Wanneer een kind volgens de CvI met de rugzak naar de reguliere basisschool kan en wanneer de ouders van het kind hiervoor kiezen, wordt het moeilijk voor de reguliere basisschool de leerling te weigeren. ,,Alleen op basis van reële argumenten kun je een gehandicapte leerling weigeren. Als je bijvoorbeeld al drie gehandicapte leerlingen hebt, kan die vierde er net een te veel zijn. Als je dat goed uitlegt aan de ouders, denk ik dat je samen tot het besluit komt om het niet te doen'', zegt directeur Van der Wal van De Vlieger.

Van der Wal verwacht overigens niet dat hij de komende jaren extra veel aanvragen van ouders met een gehandicapt kind zal ontvangen. ,,In het verleden hebben wij al aanvragen gehad. Ouders die wilden, klopten al op de deur. Maar de reguliere basisschool is lang niet altijd de beste plek voor een gehandicapt kind, ook niet nu er wat extra geld is. Wij hebben geen onderwijsassistent, geen maatschappelijk werker, geen logopedist, en zo kan ik nog wel even verder gaan.''

Toch weet Van der Wal uit eigen ervaring dat een gehandicapt kind, ondanks het gebrek aan faciliteiten, baat kan hebben bij regulier onderwijs. Tenminste, voor een tijdje. ,,In het verleden hebben wij drie jaar lang kleuteronderwijs geboden aan een kind met het syndroom van Down. De eerste twee jaar hebben wij als positief ervaren, maar in het derde jaar liepen we tegen problemen aan, de rek was eruit. De ouders merkten dit ook. Het was een moment van teleurstelling, maar samen besloten we dat de leerling beter af was op een speciale school.''

Baukje Abma, directeur van Mytylschool Lyndensteyn te Beetsterzwaag, vreest dat dit soort teleurstellingen vaker zal voorkomen. In tegenstelling tot Van der Wal verwacht zij wel dat meer gehandicapte kinderen gebruik gaan maken van regulier onderwijs. ,,Ik zie nu al dat kinderen vaak pas naar het speciale onderwijs gaan als het stukloopt op de reguliere school. Dat is eigenlijk net te laat. De wetgeving beschermt ouders en kinderen niet tegen de teleurstelling.''

Abma heeft bovendien bezwaren tegen de bureaucratie die gepaard gaat met de nieuwe wetgeving. ,,Alle huidige leerlingen moeten we opnieuw indiceren. Voor de daarvoor benodigde testen is geen extra budget.'' Ook Klein van Mytylschool de Ruimte is hier niet over te spreken. ,,Wij moeten onze leerlingen weer langs de meetlat leggen, dat gaat ten koste van de diagnostiek die kijkt naar wat een kind nodig heeft. Wij moeten tijd investeren in iets dat niet ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs. Dat is een stap achteruit.'' Bovendien merkt Abma van Lyndensteyn dat de herindicatie voor veel onrust zorgt bij de ouders van leerlingen. ,,Ouders zijn bang dat hun kind met de nieuwe indicatie hier niet meer kan blijven.''

Niet alleen directeuren in het speciale onderwijs klagen over de bureaucratie rond de leerlinggebonden financiering, ook directeuren in het reguliere onderwijs krijgen meer papierwerk te verstouwen. ,,Wanneer ouders een aanvraag tot plaatsing indienen, moet je die zorgvuldig in behandeling nemen en moet je ook een eventuele afwijzing goed motiveren, daar zit veel extra tijd in'', vertelt Van der Wal van De Vlieger. Bovendien moet elke basisschool een schoolplan opstellen, waarin expliciet staat beschreven hoe de school de zorg voor gehandicapte leerlingen aanpakt.

En dan is er nog de kwestie van het geld. De bedragen in de rugzak worden vastgesteld per handicap. ,,Of het genoeg geld is, kan ik nog niet zeggen'', zegt Abma van Lyndensteyn. ,,Kinderen die één op één begeleiding nodig hebben, krijgen, denk ik, niet genoeg geld mee.'' Ook Klein van De Ruimte vreest dat te weinig geld is vrijgemaakt voor de leerlinggebonden financiering. ,,Wij noemen het ook wel `het rugzakje', met de nadruk op je.''