`De museumwereld is vrouwvriendelijk'

Yvette Marcus ontdekte bij het schrijven van haar proefschrift dat er in het begin van de 20ste eeuw veel vrouwen in de kunstwereld werkten en dat ze ook werden gewaardeerd.

Vol trots poseert Johanna de Jongh op 17 januari 1903 met haar bul voor de camera. Ze heeft zojuist met succes haar proefschrift over Hollandse landschapsschilders verdedigd en mag zich nu de eerste vrouwelijke doctor in de kunstgeschiedenis noemen. De Jongh moest daarvoor overigens wel uitwijken naar de universiteit van Berlijn. In Nederland was kunstgeschiedenis nog geen volwaardige doctoraalstudie – die status zou het vak pas in 1921 krijgen.

Nu, honderd jaar later, staat de foto afgedrukt in het proefschrift Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, waarmee Yvette Marcus (1955) gisteren promoveerde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Bijna tien jaar lang deed Marcus, voormalig adjunct-directeur van Museum Flehite in Amersfoort, onderzoek naar vrouwelijke kunsthistorici die aan het begin van de 20ste eeuw functies vervulden in musea en aan universiteiten. Ze ontdekte dat deze pioniers veel invloed hadden en ook van mannelijke vakgenoten waardering kregen. ,,Ik had verwacht dat deze vrouwen op veel tegenstand en conflicten zouden stuiten'', vertelt Marcus. ,,In plaats daarvan merkte ik dat deze eerste generatie kunsthistoricae vrij soepel toegang kreeg tot de arbeidsmarkt. Dat verbaasde me, want ik wist dat dit in tal van andere beroepen veel moeizamer ging. Je moet je wel beseffen dat vrouwen pas in 1919 stemrecht kregen.''

Een artikel dat Yvette Marcus schreef voor het tijdschrift Kunstlicht over Elisabeth Neurdenburg, de eerste vrouwelijke hoogleraar kunstgeschiedenis, vormde de aanzet voor haar dissertatie. Marcus: ,,Zij was in de loop der jaren in de vergetelheid geraakt. Pas na maanden zoeken in archieven en bibliotheken ontdekte ik dat Neurdenburg deel uitmaakte van een vrouwennetwerk avant la lettre. Er bleken in de eerste twee decennia van de 20ste eeuw opvallend veel vrouwen professioneel werkzaam te zijn in de kunstwereld. Toen ik die namen boven water had, ben ik op zoek gegaan naar familieleden. Bovendien bleken van de tweede generatie nog enkele vrouwen in leven. Zij kenden deze dames nog.''

Ook in die vroege jaren werd kunstgeschiedenis al gezien als een typische meisjesstudie. ,,Het paste in de burgerlijke idealen om kennis van het culturele leven op te doen'', zegt Marcus. ,,De eerste colleges die professor Vogelsang in 1907 aan de Utrechtse universiteit gaf, werden bezocht door tientallen studenten, onder wie meer dan de helft vrouwen. Velen van hen volgden het vak als algemene vorming. Het beroepsveld stond nog in de kinderschoenen. Maar de acht vrouwen die ik in mijn proefschrift belicht, lieten zien dat zij er als professionals mee aan de slag konden. Ze hadden internationale contacten, gaven lezingen of publiceerden. Sommige standaardwerken die zij toen schreven, worden nog steeds geraadpleegd.''

De museale wereld bleek een goede werkgever. In 1906 kwam in het Amsterdamse Rijksmuseum de eerste vrouwelijke volontair binnen. Al in 1910 werd een vrouwelijke directeur benoemd, in het Stedelijk Museum in Zutphen. Marcus: ,,Ik had graag willen aantonen dat vrouwen gedwarsboomd werden, maar het tegendeel bleek waar. Ze kregen volop kansen. Wat meespeelde was dat kunstgeschiedenis destijds een klein vakgebied was dat nog volop in ontwikkeling was. Ook de honorering speelde een rol. Die was over het algemeen beroerd. Daardoor kwamen meer vrouwen in aanmerking. Al moet was het wel zo dat prestigieuze onderwerpen als 17de-eeuwse Hollandse meesters niet aan hen werden uitbesteed.''

In de academische wereld was het slechter gesteld. In 1904 werd Johanna de Jongh benoemd als privaatdocent, maar dat was een onbetaalde functie. ,,Op universiteiten gold de wet van de remmende voorsprong. Vrouwen konden moeiteloos het veld binnenkomen, maar de doorstroming vertraagde. Als ik de lijn doortrek naar het heden, wordt het schrijnend: in 1918 was Elisabeth Neurdenburg de eerste vrouwelijke lector, in 1948 werd zij de eerste buitengewoon hoogleraar en in 1977 kwam de eerste vrouwelijke ordinarius in de kunstgeschiedenis. En pas weer twintig jaar later werd de eerste vrouwelijke hoogleraar voorgedragen als lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Ik heb het gevoel dat de eerste generatie kunsthistoricae een voorsprong op ons had. Dat is een opmerkelijke uitkomst.''

Volgens Marcus geldt haar conclusie, dat de museumwereld vrouwvriendelijk was, nog steeds: ,,Uit recente studies blijkt dat de kunstsector het uitstekend doet, met 43 procent vrouwelijke leidinggevenden. Zelf ben ik ook nooit belemmeringen tegengekomen. De afgelopen tijd is er in de landelijke pers vaak de vraag gesteld waar de vrouwelijke directeuren van toonaangevende musea blijven. Wat me in die discussie opvalt is dat primair gekeken wordt naar de musea voor moderne kunst. We dreigen te vergeten dat er hewl capabele vrouwen aan het roer staan van musea als het Amsterdams Historisch, het Rijksmuseum voor Oudheden en de gemeentelijke musea in Delft. Deze vrouwen veroorzaken geen deining, overschreiden geen begroting, laten geen gebouw verwaarlozen en brengen geen treurige tentoonstellingen. Ik wil weten waarom er niet aan hen gedacht wordt. En hoe zit het met de nieuwe generatie kunsthistoricae? Solliciteren ze niet? Of is het toch nog het old boys network dat regeert?''

Op de vraag of ze zelf weer een museale functie ambieert, nu ze haar onderzoek heeft afgerond, antwoordt Marcus lachend: ,,Ik begin te glimmen. Dat zegt waarschijnlijk genoeg.''

Yvette Marcus, `Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921'. De handelseditie is verschenen bij Uitgeverij Verloren in Hilversum. ISBN 90-6550-766-3, 488 blz. 39 euro.