Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Gisteren liep ik bij de residentie van de Hongaarse president schrijver Péter Esterházy tegen het lijf. Ik zei dat ik uit Nederland kwam en hem graag een keer zou willen spreken.

,,Hoe lang blijf je hier nog?'' vroeg hij, zijn toon verraade dat hij zich afvroeg of mijn vliegtuig vanavond vertrok of pas morgenavond. Hij richtte zijn blik naar de grond. Ik moest me vergissen als hij op dat moment niet als een razende door zijn agenda ging, om te bedenken of hij vandaag of morgen nog een uurtje had voor die lange, blije Hollander tegenover hem.

,,Tien jaar'', antwoordde ik.

Esterházy keek me verwonderd aan en barstte vervolgens in lachen uit. ,,Nou, dan moet dat wel lukken.''

Deze ontmoeting was typisch. Behalve dat mijn leven van het toeval aan elkaar hangt en dat ik een mazzelaar ben toont het de reactie van de meeste Hongaren als ik ze vertel dat ik van plan ben tien jaar te blijven – of langer. Meestal zeggen ze even niks en laten hun blik nog eens over me heen glijden, op zoek naar verdere tekenen van krankzinnigheid. Nee, hij heeft gewoon zijn linkerschoen aan zijn linkervoet, de rechter aan de rechter, het is hem gelukt zijn veters redelijk te strikken, zijn witte onderbroek is niet tot net onder de oksels over het overhemd gehesen, de buitenlander beschikt zelfs over de fijne motoriek zijn rits dicht te trekken, ook hangen er geen klodders kwijl aan zijn kin, hij draagt een op tijd lopend horloge. Nu ja, misschien is er iets anders aan de hand.

Men richt de blik weer omhoog: ,,Maar... waarom?''

Deze vraag wordt steeds met zoveel nadruk en ongeloof gesteld dat ieder antwoord dat ik geef bij voorbaat zwabberig, frivool, om niet te zeggen decadent klinkt.

,,Omdat ik het hier prachtig vind'', of zoiets dommigs antwoord ik dan, of ik brabbel ongearticuleerd over de natuur, de ruimte. Wat ik ook zeg, afdoende is het niet. En zelf weet ik het ook niet precies. Het is een mengeling van duizend dingen; de overweldigende natuur, de bakbeesten van huizen, het andere ritme, de ouderwetse galanterie van de Hongaar, de handkussen die zonder blikken of blozen worden uitgedeeld, de slingerende wegen, de leegte, de strakblauwe hemel, het ongepolijste van het landleven, de tovertaal, de magie van deze hoek van Europa, het tijdperk van verandering waarin het zich bevindt, het ongeregelde (dat aan de rand van het Transsilvaanse bos niet een bord staat dat de honden aangelijnd moeten worden, maar dat het verboden is auto's in de beek te wassen of stukken bos af te fikken), het onverwachte, het onbegrijpelijke, de Jugendstil hekwerken, de geglazuurde dakpannen op de gebouwen van Odön Lechner, de kogelgaten in het stucwerk, de weidsheid van de Donau, de kettingbrug, de stad die met duizenden lichten onder me ligt als het Los Angeles van John Fante, de literatuur van Nádas, Márai, Esterházy en Kosztolányi, de koffiehuizen, het uitgesleten marmer in de badhuizen, het verdriet van Trianon, de Centraal Europese zwaarmoedigheid, het ongegeneerde zuipen, de paardenkarren, de dikke wiegende zigeunerinnen, de geur van houtvuur en bruinkool, de dorpelingen met drie tanden, de achteloze honden in de berm, de nabijheid van beren en wolven in het oosten, de smaak van de tomaten uit eigen tuin, de vrijheid van het buitenstaanderschap, de keuken van Marikanéni, het ontbreken van de truttigheid, het kleingeestige en egalitaire van Nederland.

Maar al zou ik al deze argumenten tegen een Hongaar zeggen, hij zou me wazig aan blijven staren, vriendelijk knikken en denken dat ik ondanks mijn evenwichtige presentatie frenetiek dan wel een voortvluchtige crimineel ben. Hoe immers kan men uit vrije wil het paradijs verlaten?

Toen ik dertien jaar geleden voor het eerst in Hongarije kwam ontdekte ik dat voorheen de bevoorrechten 's zomers op het land leefden en 's winters in de stad. Buiten als het buiten plezierig is en als het koud en donker wordt in de feeëriek verlichte stad je naar de opera laten rijden. Zo wil ik ook leven, dacht ik toen.

En dat is wat we nu ga doen. Dat is het verschil tussen mij en de meeste Hongaren. We hebben een plek in de stad en een op het land. De droogte en de zwijnen zijn funest geweest voor de maïs – we hadden twee dorpelingen ingehuurd die 's nachts rondjes om de akkers fietsten om de zwijnen weg te jagen. Maar aangezien we tijdens de zaaitijd nog in Nederland zaten, konden we moeilijk controleren of ze niet stomdronken in de sloot lagen. Wat op zich een waarschijnlijker scenario was.

Daar staat tegenover dat we sterven van de druiven.