Wapens tegen doodsangst

Het moet de droom zijn van veel sociale wetenschappers: een omvattende theorie over menselijk gedrag ontwikkelen die alle mogelijke experimentele toetsingen glansrijk doorstaat, en dan op een dag geconfronteerd worden met ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen die zich geheel volgens de theorie ontwikkelen. Het overkwam de Amerikaanse psychologen Tom Pyszczynski, Sheldon Solomon en Jeff Greenberg en ze vonden het niet leuk.

Dat kwam doordat de gebeurtenissen eruit bestonden dat op 11 september 2001 twee vliegtuigen de torens van het World Trade Center in New York ten val brachten, en een derde en vierde vliegtuig zich respectievelijk kapotvlogen tegen het Pentagon en op het platteland in Pennsylvania. Greenberg was toen net terug in Tucson na een bezoek aan zijn moeder in New York, Solomon had exact 24 uur voor de aanslag nog een koffie en een maïsmuffin gekocht in het WTC, en Pyszczynski zat zich thuis in Colorado Springs voor de tv zorgen te maken om de anderen.

De drie psychologen zijn de grondleggers van terror management theorie – een stroming die niets te maken heeft met het managen van terrorisme, al worden de wetenschappers tot hun verbazing nu wel af en toe gevraagd om daar een lezing over te houden. De term slaat op het managen van doodsangst, van het uniek menselijke besef dat we op een dag zullen sterven en dan echt helemaal ophouden hier op aarde te bestaan. Volgens de psychologen wapenen mensen zich daartegen door middel van cultuur. `Wereldbeelden' helpen ons het bestaan te ordenen en betekenis te geven, en beloven veiligheid en onsterfelijkheid. Die kan letterlijk bedoeld zijn, als het wereldbeeld een religie is, of symbolisch als het gaat om alles wat ons het gevoel geeft dat we deel uitmaken van een waardevol groter geheel: een politieke groepering, literatuur, een gezin.

Het mooie van `terror management' is dat de theorie uitgebreid experimenteel getoetst is. Zo blijkt uit onderzoek dat als je mensen aan de dood herinnert (door hen de eigen dood te laten beschrijven, of door woorden die met dood te maken hebben zeer kort, niet bewust waarneembaar langs te laten flitsen, of door hen langs een begraafplaats te laten lopen), dat ze dan strenger worden tegenover mensen die de normen van hun wereldbeeld overtreden. Amerikanen wilden dan bijvoorbeeld dat prostitutie strenger gestraft werd. Ook maakt experimenteel opgeroepen doodsangst mensen agressiever jegens andere groepen en aardiger tegen al wat `eigen' is. Het gaat echt om doodsangst: angst voor de tandarts heeft het effect bijvoorbeeld niet.

In In the wake of 9/11 geven de drie psychologen een uitgebreid overzicht van terror management onderzoek en laten ze zien hoe zowel westerlingen als oosterlingen zich na `9/11', de dag waarop wel erg veel mensen tegelijk aan hun sterfelijkheid herinnerd werden, exact volgens de theorie gingen gedragen. Aan het slot geven Pyszczynski, Solomon en Greenberg ook nog aanbevelingen voor manieren om de wereldvrede te bereiken (`een moedeloos makende taak' zeggen ze), maar daar ligt duidelijk hun kracht niet. Hun boek is vooral interessant omdat het het eerste populair-wetenschappelijke (af en toe iets te wetenschappelijke) overzichtswerk van dit bijzondere onderzoeksgebied is. En het is ook een van de weinige boeken die zichzelf tot onderwerp hebben: de psychologen begonnen het schrijven ervan in december 2001, en het idee dat ze met iets goeds bezig waren heeft hen zeker geholpen om hun eigen doodsangst te managen. Ze zullen zelf de eersten zijn om dat toe te geven.

Tom Pyszczynski, Sheldon Solomon en Jeff Greenberg: In the wake of 9/11. The Psychology of Terror. Washington, American Psychological Association, 264 blz. €37,31