Van het ene shot naar het andere

Herman Brood was een groot liefhebber van scrabble. Hij had zijn zelfmoord, op 11 juli 2001, zorgvuldig voorbereid. Na zijn sprong van het dak van het Amsterdamse Hiltonhotel werd de 54-jarige popster aanvankelijk door niemand herkend, aangezien hij een week tevoren zijn hoofd had kaalgeschoren.

Tot zover het nieuws uit Broodje springlevend, het deze week verschenen vierde deel van de Herman Brood-biografie van Bart Chabot. Een echte biografie is het natuurlijk niet, dat weet iedereen die in 1996 is begonnen aan Broodje gezond. Chabot schetste daarin niet de levensloop en artistieke carrière van de uit Zwolle afkomstige zanger-pianist-schilder; hij wilde vóór alles duidelijk maken wat het betekende om Herman Brood te zijn. En dus werd de lezer meegetroond langs opdringerige fans en volle concertzalen, frequenteerde hij bars en bordelen, en ging hij van het ene shot naar het andere. Chabot, de Hunter Thompson van de moerasdelta, beknibbelde daarbij niet op inkt en papier. Na de vijfhonderd pagina's Broodje gezond volgde in juni 2001 Broodje halfom, over de periode 1996- 1998. Precies een jaar geleden kwam Brood en spelen, een bijna 700 bladzijden tellend verslag van een theatertournee van Brood, Chabot en Jules Deelder in 1998. En nu is er Broodje springlevend, dat behalve de laatste dertien maanden uit het leven van Brood ook zijn Nachleben tot juli 2002 beslaat.

Vrolijke kost is het niet. De gezondheidstoestand van Herman Brood, decennialang probleemloos levend op een dieet van speed en alcohol, was al eind jaren negentig ernstig verslechterd. Vanaf 2000, toen Brood enkele gedoemde pogingen tot afkicken deed, werd ze praktisch onhoudbaar. De zanger van klassiekers als `Dope Sucks' en `I'll Never Be Clever' werd behalve door aambeien en incontinentie geteisterd door leveruitstulping, impotentie, slokdarmbloedingen en algehele uitputting. Onomkeerbare kwalen, al was het alleen maar omdat Brood vasthield aan zijn dagelijkse inname van wodka, cognac, honingrum, kaneellikeur en misselijkmakende cocktails als Grand Marnier-met-warme-melk. De dood lonkte, het voormalige rockbeest vertikte het om `een asymmetrisch mens' (of erger nog: `een tweedehands Herman Brood') te zijn, en de vraag vanaf welk hotel hij zijn rock'n'roll suicide tegemoet zou springen – het Hilton of het Okura – veranderde van een running gag in bittere ernst.

Chabots kroniek van een aangekondigde zelfmoord is deprimerend, maar niet alleen door de inhoud. `In der Beschränkung zeigt sich der Meister' noteerde J.P. Eckermann, de Chabot van J.W. Goethe, in zijn Gespräche mit Goethe; Bart Chabot toont zich een brugklasser. Driehonderd bladzijden is veel te veel voor wat hij wil vertellen; de lezer wordt al gauw moe van de soms letterlijke herhalingen (van uitspraken, anekdotes, situaties) en van de terugkerende patronen (Brood zwak, Brood gek, Brood grappig, Brood laveloos) waarop minimaal gevarieerd wordt. Chabot zal misschien tegenwerpen dat het improviseren op vaste schema's juist heel erg jazzy en rock'n'roll is, maar Broodje springlevend is wel erg mager. Het laatste jaar van Brood, dat behalve door de Afloop gekenmerkt werd door de Afkick, de Aftakeling en de Apotheose (het poseren voor een wassen beeld in Madame Tussauds), had in een fatsoenlijke biografie waarschijnlijk een hoofdstuk of twee beslagen. Voor de vergelijkbare tragikomedie De nadagen van Gerard Reve (2001) had Ad Fransen maar een bladzijde of zeventig nodig.

Zoals gezegd, het is beter om bij het als `Herman Brood-biografie' aangeduide Chabotvierluik geen biografische maatstaven aan te leggen. Maar ook als roman over een volksheld schiet Broodje springlevend tekort. Chabot schrijft vlot, op het toffe af (zo wordt Brood voortdurend met `ouwe reus' aangesproken); hij ziet er geen been in om onbeduidende, op de band opgenomen conversaties in extenso te citeren, of om nietszeggende anekdotes (zoals die van tv-komiek Maarten Spanjer over een taxirit met Brood) uit te spinnen. Tegenover elke mooie zin (`Desondanks ziet Herman eruit alsof hij in de was gekrompen is') staat een lelijke (`En het was al nooit zo'n ster in het zijn billen goed afvegen'). Chabot zit, om met Brood te spreken, `niet gauw om een woordspeling verlegen'; en met een spanningsboog heeft hij weinig op. Wat rest is een aantal aardige verhalen (met Broods vergeefse eerbetoon aan zijn oude idool Little Richard, tijdens diens concert in de Haagse Statenhal, als hoogtepunt), en een serie gave monologen en tweegesprekken. Chabots weergave van de spreektaal is imposant – een zeldzaamheid in de Nederlandse letteren. Je zou willen dat hij dat talent gebruikte voor een echte roman.

Een monument voor Herman Brood is Chabots project wel genoemd. Maar dat was het alleen geweest wanneer de biograaf Brood had vereeuwigd als het fenomeen dat hij was: een dynamisch bluespianist die zich in de jaren zeventig ontpopte tot charismatisch rock'n'rollzanger; een poète maudit die het leven leidde dat hij in zijn teksten bezong; een rolmodel voor iedere provinciaal die hunkerde naar de wild romance van de grote stad; een beeldend kunstenaar die het Lucebertiaanse schilderen tot in de Free Record Shop populair maakte. Dankzij Chabot loopt Brood het risico herinnerd te worden als een vrolijke drinker, een eersteklas bordeelsluiper, een verstokte junk, een ongevaarlijke burgerschrik en uiteindelijk een zielig hoopje mens. Dat is op zijn hoogst het halve verhaal, en waarschijnlijk niet genoeg om Broods beeld tot in de eeuwigheid tussen Mondriaan en Picasso in Madame Tussauds te houden. Alleen met een echte biograaf zal Herman Brood over tien jaar meer zijn dan de spreekwoordelijke musicus `uit de tijd van Cruijff'.

Bart Chabot: Broodje springlevend. Nijgh & Van Ditmar, 318 blz. €18,50