Pantheon

Pieter Steinz stelt in `Het versplinterde pantheon' (Boeken, 05.09.03) `het Nederlandse onvermogen' aan de kaak om `een fatsoenlijke reeks' met altijd leverbare (modern-) klassieke literatuur op te zetten en in stand te houden.' In déze zin laat hij de veronderstelde vertegenwoordigers van dit onvermogen, de literaire uitgevers, gelukkig nog buiten schot. `Integendeel', zo heet het na zijn bezoek aan de jongste boekenbeurs Vers voor de Pers, waar zij hun geplande uitgaven voor het komend najaar presenteerden, `[...] meer dan veertig literaire meesterwerken, vertaald of hertaald, zullen de komende maanden de boekhandels overspoelen', zowel in luxe edities als in goedkope dubbelpockets. Aan de interesse van de Nederlandse uitgevers in het literaire erfgoed ligt het dus niet, volgens Steinz. Nee, hij constateert dat `talloze schrijvers van wereldformaat', die de literatuurgeschiedenis hebben gemaakt tot wat zij is, in vertaling niet of nauwelijks verkrijgbaar zijn, en van degenen die dit wél zijn, zit het hem vooral dwars dat hun werken `in de boekenkast een zootje ongeregeld vormen'. Wat hij wil, is `een waardig equivalent van de Franse Pléiade' [..] of `de Britse Penguin (Modern) Classics [...] die de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur [..] tegen een schappelijke prijs in elegant zwart of groengrijs aanbieden'. Dit equivalent nu, ontbreekt echter als gevolg van een `Nederlands onvermogen', dat slechts `een versplinterd pantheon' kan voortbrengen. En dan nog hoogst onvolledig ook!

Natuurlijk voel ik mij als uitgever aangesproken. Toegegeven: het zou flauw zijn wanneer juist ik Steinz' opmerking: `Tussen een gebonden Veen-vertaling van Dostojevski's Misdaad en straf en het Russische Bibliotheek-deel De gebroeders Karamazow prijkt de dikke gele rug van de Rainbow-pocket van Boze geesten', pareerde met de opmerking dat deze drie romans al veertig jaar lang in hun prachtige, zij het niet zwarte of groengrijze maar baksteenrode uitvoering in de Russische Bibliotheek `in stand' worden gehouden, zodat niemand van Dostojevski's Verzamelde werken `een zootje ongeregeld' hoeft te maken. Niet flauw echter is de stelling, dat de prijs per écht gebonden deel van gemiddeld 700 bladzijden voor een `waardig equivalent van de Franse Pléiade' – van welke uitgever afkomstig ook – inderdaad `schappelijk' mag worden genoemd.

Raadselachtig is echter dat Steinz weliswaar vijf illustere collega-uitgevers van dit `versplinterd pantheon' in de gelegenheid stelt om zijn klacht met zeer terzake kundige argumenten te pareren, maar dat hij daaruit niettemin als énige `conclusie' trekt: `En toch blijven we ervan dromen: een hele kast vol mooie, eenvormige, betaalbare uitgaven, uit alle tijden en werelddelen – goed vertaald en leverbaar tot in de eeuwen der eeuwigheid.' Tjonge, dát is nogal wat! Daarmee evenwel is het door Steinz veronderstelde `Nederlandse onvermogen' allerminst aangetoond. Wél toont hij aan dat hij daarvan dróómt en dat collega Mai Spijkers hem daarvan helaas niet heeft kunnen genezen met zijn ultieme tegenargument: `Zo'n overkoepelende reeks is meer iets voor een land als Bulgarije, een volwassen cultuur heeft dat niet nodig.'

Zien wij het voor ons: de héle wereldliteratuur in tientallen strekkende `elegant zwarte of groengrijze' meters in onze boekenkasten? De schilder heeft aangenamer behang in de aanbieding. Zeker: de literaire wereldcanon is in ons land inderdaad niet `tot in de eeuwen de eeuwigheid' verkrijgbaar. Maar zo er al een kern van waarheid schuilt `Nederlands onvermogen' daarin te zien, dan is het onterecht de literaire uitgevers daarvoor als hoofdverantwoordelijken aan te wijzen. Er zijn immers méér, en voor de hand liggender redenen, zoals ons kleine taalgebied, die de mogelijkheden aanzienlijk beperken. Jammer dus van één héle, o zo kostbare voorpagina, waarop ook een prachtig nieuw meesterwerk besproken had kunnen worden.