Luister altijd naar onliteraire vrouwen

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Dagboek 1946-1949' van Max Frisch

(Vertaald door Wouter Donath Tieges. Atlas, 397 blz. 22,50 euro)

Het dagboek en de dagboekvorm spelen een belangrijke rol in het werk van Max Frisch. Niet alleen publiceerde de Zwitser twee dagboekdelen over de jaren 1946-1949 en 1966-1971, maar ook zijn overige proza – zoals de beroemde roman Stiller uit 1954 en het weergaloze liefdesverhaal Montauk uit 1975 – heeft vaak kenmerken van een dagboek. Frisch' voorkeur voor de dagboekvorm heeft alles te maken maken met zijn literatuuropvatting. Hij was van mening dat de traditionele vertelwijze niet meer paste bij de complexe tijd na 1945. Veel geschikter was een fragmentarische en voorlopige manier van vertellen, die bovendien een hoge mate aan waarachtigheid en authenticiteit kon waarborgen, eigenschappen waar Frisch veel waarde aan hechtte.

Frisch (1911-1991) geldt als modernist en als vernieuwer van het naoorlogse Duitse proza, naast generatiegenoten als Wolfgang Koeppen, Wolfgang Hildesheimer, Hans Erich Nossack en Uwe Johnson. Maar de grootste Zwitserse schrijver van de laatste halve eeuw heeft altijd rekening gehouden met de lezer en zijn experimenteerlust zelden botgevierd, misschien met uitzondering van de weerbarstige roman Mein Name sei Gantenbein uit 1964.

Elegantie van stijl, subtiele psychologie en een soms bijna aan exhibitionisme grenzende eerlijkheid zijn andere kenmerken van zijn werk. Overigens heeft Frisch zijn literatuuropvatting en poëtica nooit beter verwoord dan in zijn Dagboek 1946-1949. Onder de titel `Bij het lezen' belijdt hij hier zijn voorkeur voor het fragment en de `ontbinding van overgeleverde eenheden'. De schetsmatige manier van vertellen en de dagboekvorm zijn voor hem `uitdrukking van een wereldbeeld dat niet meer of nog niet gesloten is', en zolang een definitief antwoord op de levensvragen ontbreekt, vormen zij het enige gezicht dat men met goed fatsoen kan opzetten.

De twee dagboeken van Frisch zijn nogal ongelijksoortig van inhoud en kwaliteit. Het Dagboek 1966-1971 bevat vooral passages over de woelige politiek van die jaren, maar ook de angst voor het ouder worden vormt een thema, naast herinneringen aan Bertolt Brecht, Günter Grass en zijn goede vriend Uwe Johnson. Gevarieerder en belangrijker is het nu in vertaling bij Atlas verschenen Dagboek 1946-1949; Volker Hage spreekt in zijn Rowohlt-monografie zelfs van `de kern van Frisch' oeuvre'. Een dagboek in de traditionele zin des woords is het niet, eerder moet je aan een kladboek of een werkjournaal denken waarin plaats is voor allerlei onderwerpen en thema's. Reisbeschrijvingen worden afgewisseld met aforismen en aanzetten tot verhalen of parabels, autobiografische fragmenten worden geflankeerd door opmerkingen over politiek, toneel, het schrijverschap of de architectuur, het eigenlijke beroep van Frisch tot zijn doorbraak als schrijver in de jaren vijftig.

Net als in Kafka's dagboeken is het latere werk van Frisch hier ten dele al voorgevormd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de identiteitskwestie, zijn centrale thema. De beeldhouwer Stiller uit de gelijknamige roman loochent zijn identiteit; `Ik ben Stiller niet', luidt de beroemde openingszin die telkens terugkomt en later wordt afgezwakt in: `Ik ben niet júllie Stiller'. En de hoofdpersoon uit Mein Name sei Gantenbein gaat zelfs volledig op in een rollenspel en wisselt regelmatig van naam. Frisch was van mening dat de menselijke identiteit allerminst vastomlijnd was en dat velen zich minstens voor een deel conformeren aan het beeld dat anderen van hen hebben. In het vroege dagboek komt dit thema regelmatig ter sprake. In het fragment `De Andorraanse jood' bijvoorbeeld, een voorstudie of synopsis van zijn toneelstuk Andorra uit 1961 (over een jongen die ten onrechte voor een jood wordt gehouden en zich gaandeweg aanpast aan dat beeld). Maar ook in het stukje met de significante titel `Gij zult u geen beeld maken', waarin zelfs het reizen en het onderweg zijn – een ander opvallend thema van Frisch – met de identiteitsvraag in verband wordt gebracht. `Waarom reizen we? Om mensen te ontmoeten die niet denken dat ze ons van haver tot gort kennen; om zelf nog eens te ervaren wat voor ons in dit leven mogelijk is. Dat is toch al weinig genoeg.'

Boeiender nog dan in de naoorlogse reisimpressies van steden als Berlijn, Warschau, Wenen of Praag is Frisch als hij tijdloze thema's aansnijdt. Bijvoorbeeld wanneer hij ingaat op zijn verhouding tot poëzie of als hij herinneringen ophaalt aan collega's als Brecht en Thornton Wilder, als hij schrijft over acteurs, toneel- en literatuurkritiek. `Het is moeilijk om recensent te zijn', zegt hij terecht in het fragment `Recensies', waarin hij zich opwerpt als een vriend van de persoonlijke, onacademische kritiek en terloops meedeelt dat hij zelf nog het meest geprofiteerd heeft van de adviezen van `intelligente, onliteraire vrouwen'. Tot vrouwen had Frisch dan ook een heel bijzondere verhouding, zoals niet in de laatste plaats uit zijn werk blijkt. Stiller, Mein Name sei Gantenbein en vooral Montauk – waarin hij opvallend onverhuld zijn relatie tot de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann uit de doeken doet – kunnen ook als schitterende liefdesromans worden opgevat. Liefde was voor Frisch onlosmakelijk verbonden met jaloezie, en in zijn vroege dagboek gaat hij diverse keren op dit paar in. Ook voor deze fragmenten is de lectuur van het Dagboek 1946-1949 de moeite meer dan waard.