Kleingeld na de Zilvervloot

De Delftse dominee Dionysius Spranckhuysen tekende omstreeks 1630 op dat kinderen een liedje zongen `van generaal Pieters. Heyn' en dat `schoon sijnen naem is kleyn, dat nochtans sijne daden waren uytermaten groot, gelijck bleeck uyt het veroveren van de Silveren vloot'. In de negentiende eeuw herschreef Jan Pieter Heye het liedje en componeerde J.J. Viotta er een nieuwe melodie bij. En zo bleef het leven van de zeeheld Piet Hein gecomprimeerd in enkele regels in het collectieve geheugen bewaard.

Dit zijn maar een paar details uit de deze week verschenen biografie die de maritiem historicus Ronald Prud'homme van Reine schreef over een van de meest vermaarde zeehelden uit onze geschiedenis. De auteur publiceerde eerder een biografie van Michiel de Ruyter Rechterhand van Nederland (besproken in Boeken, 04.10.96) en een boek over Maarten en Cornelis Tromp, Schittering en schandaal (besproken in Boeken, 19.01.01). Met Hein voltooit hij zijn trilogie en ook nu weer is het een nuchter, chronologisch verhaal, gebaseerd op de literatuur, op bronnenpublicaties en op nieuwe archiefvondsten. Het boek is wat schools van stijl, zonder grootse vergezichten over tijd, milieu en denkwereld, zonder bonte schilderingen en zonder de spreekwoordelijke geur van pek en teer, maar altijd feitelijk en dicht op de daden van de hoofdpersoon.

Piet Hein werd in 1577 geboren in Delfshaven in een milieu van haringvissers en koopvaardijschippers. Hij was dus helemaal niet van eenvoudige komaf, zoals het van krullenjongen-tot-admiraal verhaal wil. Hij groeide op in de periode dat de actieradius van de Nederlandse handel zich razendsnel uitbreidde. Niet langer voer men alleen naar de Oostzee, Engeland, Frankrijk en Spanje, men zeilde nu ook op de Middellandse Zee en naar West-Afrika, Azië, Midden-, Zuid- en Noord-Amerika. Omdat Nederland nog altijd in oorlog was met Spanje, gingen de commerciële vaart en de oorlogsvaart samen.

Piet Hein heeft zijn eerste ervaring waarschijnlijk opgedaan op schepen van zijn vader, zoals duizenden jongens in Nederlandse havensteden het zeemansvak leerden. Hij werd op een reis naar de Middellandse Zee gevangen genomen door de Spanjaarden en moest vijf jaar op de galeien werken. Na zijn vrijlating voer hij naar West-Indië en zat ook dáár vier jaar gevangen. In 1607 nam hij dienst bij de juist opgerichte VOC en raakte op zijn vierenhalf jaar durende expeditiereis bekend met grote delen van Azië. Toen hij terugkwam was het Twaalfjarig Bestand ingegaan en viel er weinig meer te vechten. Hij voer weer op koopvaardijschepen in Europa, verdiende behoorlijk en trouwde, en werd zelfs schepen van de stad Rotterdam. Maar de zee riep en in 1623 trad hij in dienst van de WIC, de West-Indische Compagnie. Zijn aanzien was inmiddels zo gestegen dat hij werd benoemd tot vice-admiraal en later tot admiraal op vloten naar Brazilië, Angola en de Caraïben. Hij bracht de Portugezen zware klappen toe en onderscheidde zich al snel als een bekwaam en moedig zeeman.

Het is bijna te mooi om waar te zijn, maar de documenten waar Prud'homme van Reine uit citeert geven de karaktertrekken die bijna een cliché zijn van de toenmalige Nederlander: nuchter, vindingrijk, onverschrokken in de strijd en bekwaam in de handel. Ook uit zijn eigen brieven en daar heeft de auteur er een paar van ontdekt rijst dat beeld op. Prud'homme van Reine houdt niet van psychologiseren en ook waagt hij zich niet aan mentaliteitshistorische exercities. Toch vallen een paar opmerkingen van Piet Hein op, die in een ruimer verband geplaatst hadden kunnen worden. Volgens dominee Spranckhuysen zou hij zich mededogend over de inwoners van Afrika hebben uitgelaten en ook hebben ingezien dat hun vijandigheid door de Europeanen zelf werd opgewekt. `De vrientschap moet van onse zijde beginnen', schreef Hein, `want wij soecken haer, ende niet sij ons.' En nog een andere keer blijkt zijn humane kant. De Spanjaarden en zeker de katholieke prelaten waren dan wel dankzij een geraffineerde Nederlandse propaganda vervormd tot nietsontziende vijanden, Piet Hein heeft altijd een zwak gehad voor de jezuïeten. Dat moet ontstaan zijn in de periode dat hij in Spaanse gevangenschap verkeerde en hij door hen vermoedelijk menslievend behandeld werd.

En dan die Zilvervloot. Pas halverwege het boek komt die ter sprake. In Heins leven is het maar een korte periode geweest. In 1627 werd hij als generaal van een WIC-vloot van 31 schepen naar Zuid-Amerika gezonden. Tot zijn opdrachten behoorde het om te proberen een van de Spaanse zilvervloten te overmeesteren. In september 1628 kwam een deel daarvan in de Straat van Florida in zicht en werd buitgemaakt. Een ander deel vluchtte de baai van Matanzas in, aan de noordkust van Cuba. Piet Hein, nooit een talmer, viel aan en veroverde de vloot, met weinig bloedvergieten. De buit was ongekend. Zilver vormde het grootste deel van de lading, maar er was ook goud aan boord, parels, zijde, verfstoffen en bovendien nog veel exotische kunstvoorwerpen, zoals kistjes van schildpad en schilderijen van veren. De buit die naar Nederland werd vervoerd werd geraamd op ruim elf miljoen gulden, een waarde die nu vertien- of vertwintigvoudigd mag worden.

De opwinding was groot. Piet Hein was in één klap vaderlandse held nummer één geworden. De grote steden vierden feest, zelf hield hij een triomftocht langs Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam. Er kwamen portretten, nieuwsprenten en gedenkpenningen, en de dichtader vloeide rijkelijk.

Piet Hein gold nu als de bekwaamste vlootvoogd van het land. De WIC wilde hem natuurlijk houden, maar Hein stelde dermate hoge eisen dat het niet tot een benoeming kwam. In plaats daarvan trad hij in dienst van de admiraliteit, waar hij een aantal voorstellen tot hervorming heeft gedaan. Frederik Hendrik benoemde hem tot luitenant-admiraal van Holland en in 1629 werd hij uitgezonden om de Duinkerker kapers de les te lezen. Het kwam tot een gevecht in Het Kanaal, waarbij Hein zich tussen twee vijandelijke schepen manoeuvreerde en staande op het dek dodelijk werd getroffen door een kanonskogel. De kapers werden weggevaagd, maar het verlies van de admiraal was een schok. De Staten-Generaal gaven hem een staatsbegrafenis, een eer die nog maar een keer een zeeman ten deel gevallen was, Jacob van Heemskerk.

Zijn roem en daden waren groot, maar is Piet Hein ook rijk geworden van zijn prijsgemaakte Spaanse matten?

Prud'homme van Reine komt tot de conclusie dat dat in verhouding niet het geval is geweest. Stadhouder Frederik Hendrik kreeg een ruim aandeel in de buit – waarmee hij weer paleizen kon bouwen en tuinen aanleggen en de bewindhebbers van de WIC en vooral de aandeelhouders kregen behoorlijk uitbetaald. Ook de matrozen werden beloond, al bleven ze nog jaren morren. Piet Hein zelf werd gefêteerd en ontving een gouden keten en een medaille alsmede een bedrag van 6.000 gulden niet veel op elf miljoen. Na zijn staatsbegrafenis zou een praalgraf worden opgericht. Maar zijn vrouw, Anneke Claesdochter, moest nog jaren verzoekschriften schrijven om de door de admiraliteit beloofde gelden binnen te krijgen. De Staten-Generaal betaalden pas na jaren aandringen de begrafeniskosten. En van dat praalgraf kwam maar niets. Anneke Claesdochter schreef pinnige brieven en dreigde desnoods op eigen kosten een praalgraf te bestellen. Pas negen jaar na de dood van haar man en na veel geldelijk gezeur kwam de tombe gereed. Het werd het eerste grote marmeren praalgraf in Nederland waar een zeeheld liggend in volle wapenrusting is uitgebeeld.

Ronald Prud'homme van Reine: Admiraal Zilvervloot.

Biografie van Piet Hein. De Arbeiderspers, 257 blz. €24,95