Kijken is een werkwoord

Volgens het boek `Kunst in crisis' verkeert de hedendaagse beeldende kunst in een noodsituatie. ,,Maar het probleem is bedacht door kunstbeschouwers en curatoren.'

`Lees Kafka!' zei iemand tegen me, ,,niemand heeft vervreemding op zo'n schitterende manier beschreven als hij.' Kafka lezen, ik wilde het wel, ik wilde het allang, het moest ook, want zonder Kafka ben je waarschijnlijk slechts een halve schrijver (kwart? tweederde?). Maar eerst moest ik nog Kunst in crisis lezen, een bundel artikelen van meerdere auteurs over de noodsituatie waarin de moderne kunst schijnt te verkeren. De vervreemding die het lezen van het eerste artikel al bij me opriep was helaas niet het schitterende hoogtepunt ervan, eerder een bijproduct, als zemelen van graan, oude zemelen nog wel, muf op het ranse af.

Het artikel was geschreven door Rutger Wolfson, directeur van de Vleeshal in Middelburg, die de bundel bovendien had samengesteld. In het augustusnummer van het NRC Handelsblad magazine M werd hij geïnterviewd door Bas Heijne, die volgens het voorwoord ook de instigator van de bundel is geweest.

Wat is volgens Wolfson de crisis die de moderne kunst tot in haar nerven bedreigt? Het komt er op neer dat musea (en de kunstenaars die er exposeren) door de ons omringende massacultuur verzwolgen zullen worden als ze weigeren zich tot de massacultuur te verhouden. De Hoge Kunst (architectuur, schilderkunst, literatuur etc.) zal zich met de Lage Kunst moeten vermengen (vormgeving, mode, reclame, videoclips) om haar genen op te frissen. Vervaging van disciplines is de toverkreet en ambiguïteit het sexy motto. Een beetje kunstenaar is tegenwoordig op zijn minst schilder en kok en videojockey en schandknaap. Een modern fabeldier dus.

Beeldende kunstenaars zijn in Wolfsons visie allang geen zieners meer, hun werk vertolkt niet langer de tijdgeest, die liturgie is overgenomen door vj's en vormgeversvolk. Als voorbeeld van een geslaagde vermenging tussen Hoog & Laag beschrijft Wolfson modeontwerpers Victor & Rolf, die toen ze nog jong en onbekend waren een denkbeeldig parfum lanceerden dat alleen als idee bestond, in een reclamecampagne, omdat ze geen geld hadden een echte geur te lanceren. Met wat goede wil kun je in dat gebaar een aantal dingen zien. Een strategie uit de beeldende kunst – het autonome gebaar – wordt toegepast binnen een publieksmedium als mode en daarnaast wordt de strategie van een massamedium – reclame – ingezet om mensen tot een artistiek concept te verleiden, in plaats van het kopen van een product. Vanuit dit perspectief zou het een interessante stap geweest zijn als Victor & Rolf vervolgens naaktheid waren gaan verkopen tijdens hun Parijse modeshows, maar dat deden ze niet. Ze ontwierpen kleding (hele mooie, overigens) en lanceerden een echt parfum. Toen het menens werd, werd hun dwarsheid gedempt door de harde zakelijke eisen die de modewereld stelde.

Opgeblazen ego's

Rutger Wolfsons oplossing voor de crisis van de kunst is het kunsthistorisch perspectief afschaffen, hij vindt het verdord: ,,Je moet niet vanuit de traditionele canon naar kunst kijken, maar vanuit het heden. Waar gaat het over, wat zou het nu te zeggen hebben.' Hij wil naar Vermeer, die zijn favoriete kunstenaar is, ,,kijken vanuit mijn ervaring met de wereld van nu.' Wolfson stelt zichzelf daarmee centraal in plaats van de kunstenaar, hij meet de wereld aan zijn eigen maat af. Wat mij tegenstaat in die opvatting is het eisende dat er uit spreekt, het jengelende toontje van een verwend kind. Alsof wij, met onze opgeblazen ego's, de maat van alle dingen zouden kunnen zijn. Enige bescheidenheid tegenover de lawinekracht van de geschiedenis lijkt me gepaster. Deze wereld draait niet om ons, wij zijn slechts tijdelijke bezoekers. Of zoals Cat Stevens het zo temerig kan zingen: ,,We are just dancing on this earth for a short while.'

Het is opvallend dat alles waar Wolfson zoveel heil van verwacht – mode, popmuziek, videoclips en design – gebieden zijn die sterk beïnvloed worden door jeugdcultuur. Het hijgerige oordeel of iets `in' of `uit' is wordt daarbij gedicteerd door jongeren op de grens van volwassenheid. De pijnlijke onzekerheid die opgroeien, je weg moeten vinden in een nogal walgelijke wereld, met zich meebrengt, kan een creatieve motor zijn die tot fantastische experimenten leidt. Kijk naar punks of skaters of rappers. Maar als je de jeugdcultuur binnenhaalt als verlosser van de cultuur haal je ook de onzekerheid en het puberale egocentrisme binnen die er aan ten grondslag liggen. Het ontbreken van zelfspot, van reflectie.

Krampachtig jong willen zijn is een vorm van mentale incontinentie. Mensen gedragen zich alsof ze in een eeuwigheersend nu leven, om maar niet te hoeven toegeven dat ze verouderen. De prijs die je daar uiteindelijk voor betaalt is geheugenverlies, zowel persoonlijk als collectief.

Niets van wat Wolfson zegt is overigens nieuw. Frans Haks is hem twintig jaar geleden op vrijwel elk punt voorafgegaan. Alleen wist en weet Haks het onderwerp altijd met een zonnige wuftheid te benaderen terwijl Rutger Wolfson zich gedraagt als een loodgieter die zijn klanten lekkages aanpraat. Want dat kunst een crisis heeft is volgens mij voornamelijk een probleem bedacht en gevoed door kunstbeschouwers en vooral curatoren, die daarmee zelf het cliché van de avant-gardistische voorhoede, van het uitverkoren clubje dat ziet, ziet wat jij niet kan zien, volledig waarmaken.

Het vooruitzicht van een apocalyps valt altijd bijzonder bij hen in de smaak. Keer op keer wordt van kunst een probleem gemaakt, over de ruggen van de kunstenaars heen. De ene keer is de schilderkunst dood en de volgende keer ligt het museum weer op sterven. Hier geldt: de een zijn dood is de ander zijn brood.

Wat de meeste teksten in Kunst in crisis betreft, die zijn geschreven voor insiders, mensen die goed op de hoogte zijn van de materie. Hier niks geen grensoverschrijding, maar een gezellig highbrow-onderonsje. De kunstbeschouwing is nog een stuk autistischer dan de kunst. Van kunstenaars wordt een houding geëist die de beschouwers/curatoren zelf niet waarmaken. Als Wolfson zo dol is op grensvervaging, waarom publiceert hij zijn opvattingen dan niet in de Viva? Dan zou hij overigens wel een ander taalregister moeten opentrekken; zijn stuk is niet verleidelijk genoeg om het op te nemen tegen een artikel over de man als wandelende vibrator.

Waarom zegt Wolfson van die slome dingen? Aan het eind van het interview met Bas Heijne verraadt hij zichzelf als hij tot vijf keer toe het magische codewoord `radicaal' in de mond neemt. Che Guevara is niet dood, hij leeft en opereert vanuit Middelburg! Wolfsons revolutie heeft (hoe verrassend toch) betrekking op het – toekomstige, directeurloze – Stedelijk Museum in Amsterdam. Volgens hem – ik parafraseer – kan dat museum dat ooit radicaal was maar diep gezonken is, weer radicaal worden, het moet namelijk radicale keuzes gaan maken, het moet zelfs het meest radicale museum ter wereld worden en dat kan het best door een radicale koers te varen (o.a. door het kunsthistorisch perspectief af te schaffen). Radicaal? Radicaal met je reet op het pluche willen zitten zal je bedoelen! Niets lijkt me traditioneler dan een jonge man die bij een wisseling van de macht een grote mond opzet. Oude wijn, nieuwe zak.

Genoeg.

Begrijp me goed, ik ben universeel voor grensopheffing en vermenging en in mijn familie doen we dat ook; Nederlands met joods en Chinees en Duits en Iers en Marokkaans en vast ook nog wel een passerende zwarte slavin, aan mijn moeders kroeshaar te zien.

Eigen familie

Je moet je familie kennen om te weten wie je zelf ongeveer bent. Kijk maar naar het tv-programma Spoorloos, waarin kinderen, soms zelfs na veertig, vijftig jaar, nog op zoek gaan naar hun biologische ouders. En net als een mens kan een kunstwerk ook niet zonder verwantschappen, niet zonder geschiedenis, om zijn bestaan te duiden en te verstevigen. Pas dan is het klaar om de wereld te trotseren.

Waarom zou je de ene, historische, benadering trouwens per se moeten inruilen voor de andere, actuele? Waarom ze niet combineren? Zou dat ook geen aangenaam geval van grensoverschrijding kunnen zijn? Ze door elkaar mixen als yoghurt en bananen tot een smoothie of een sleazy of hoe al die drankjes tegenwoordig ook heten. Maar dan ontbreekt er toch een belangrijk ingrediënt. Dat is de derde benadering, die voortkomt uit de andere twee en die de omgang met kunst zoet kan maken. Het is niet iets dat zich op gebiedende toon laat afdwingen. Je moet er voor investeren. Het vraagt kennis, alertheid, speurzin. Kijken is niet voor niets een werkwoord. En dan is het er soms ineens: het moment waarop je samenvalt met de wereld, alsof het kunstwerk een poort is. Hoe dat kan? ,,Alleen mysterie stelt ons in staat te leven, alleen mysterie', schreef Federico Garcia Lorca ooit onder een tekening. Maar al kan ik het dan niet ontraadselen, ik kan wel het spoor van het mysterie een stuk terug volgen.

En dat is wat ik de zigzagbenadering zou willen noemen, als van een speurhond, en waarbij alle middelen ingezet kunnen worden: kunstgeschiedenis, gedichten, spreektaal, psychologie, film, dromen, observaties, popmuziek, herinneringen, filosofie, persoonlijke verhalen, doctrines, latrines, stadservaringen, politiek en meer.

Ik heb vaak gemerkt dat mensen het gevoel hebben dat moderne kunst een lachspiegel is die ze bespot en uitstoot en die in hoge mate intimiderend is. Ik begrijp dat gevoel wel, ik ben ook niet opgevoed met kunst. Die intimidatie doen verdwijnen, geloof me, daar ben ik radicaal, radicaal, radicaal, radicaal, radicaal voor! Aan de andere kant is het absurd om te verwachten dat kunst zich plompverloren, zonder enige voorkennis, aan je zal openbaren. Nee, geestelijke luiheid is een vloek en als ik een curator was die wel brood zag in een rampje, dan zou ik er nog aan toevoegen dat het een vloek is die zich razendsnel aan het verspreiden is, als een vieze vette olievlek die onze verdoemde kusten bedreigt.

`Kunst in crisis', samenstelling Rutger Wolfson. Uitg. Prometheus, €17,95.