Indië

De natuurlijke omstandigheden in de voormalige kolonie Nederlands-Indië waren goed voor de sport. `Bij alle goden van den sportieven Olympos', schreef sportjournalist Jan Feith, `óf er aan sport gedaan wordt in Indië!' Alleen wintersporters zaten daar niet goed: `Al is dit laatste een kwestie van tijd, wijl naast kunstmatig ijs, nu ook kunstmatig sneeuw onze Europeesche kwakkelwinters aan een nieuwen sport-stimulans komt helpen. Wedden, dat die voortvarende kerels in Indië ons in Holland op dit gebied ons vóór zijn?'

De komst van Nederlandse sportmannen en -vrouwen hielp de sportbeweging in de Oost goed op weg. Roeiers, voetballers en paardrijders; eenmaal in hun nieuwe woonomgeving hielden ze er hun oude gewoonten op na. Het niveau lag echter wel behoorlijk lager volgens Feith: `Men zou in algemeenen zin het Indische voetbal niet op één lijn kunnen plaatsen met ons Nederlandsche eerste-klassespel'. Behalve als het ging om paardrijden, want dat is een zogenaamde natuursport: een lichamelijke ontwikkeling die in direct verband stond met het dagelijks leven. Maar de meer moderne sporten, dus door de Europeanen geïmporteerd, hadden hun tijd hard nodig.

Een ander probleem bij het opzetten van competities was de enorme afstand tussen verschillende plaatsen. Het kostte in die tijd misschien wel dagen om door onbewoonbare gebieden heen de plek te bezoeken voor de volgende wedstrijd. Een voorbeeld hiervan is een regelmatig georganiseerde bijeenkomst van oud-leden van cricket- en voetbalvereniging UD uit Deventer die uit alle hoeken van de archipel kwamen. Ook zij waren tijden onderweg hiervoor, maar voor die jeugdherinnering hadden ze dat wel over. Maar om dat elke één à twee weken te moeten doen.

In Indië woonden veel verschillende bevolkingsgroepen met ieder hun gebruiken en eigenaardigheden. De Europeanen namen hun op Engeland georiënteerde sportbeleving mee, de oorspronkelijke bevolking was dus goed te paard en de Japanners waren weer fanatieke tennissers. De Europeanen, vooral de vrouwen en meisjes, tennisten ook wel, maar vooral om lenig te blijven. Feith: `Wat dit betreft, nemen de Japanners het ernstiger op. Waarbij zich het sympathieke verschijnsel voordoet, dat de groote Japansche kantoren er op uit zijn, hun personeel zoveel mogelijk faciliteiten toe te staan, teneinde zich aan de beoefening der tennissport wijden.' Om dit inzicht – een gezonde geest in een gezond lichaam – te verwerven, moesten het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid nog enkele decennia ploeteren.

Hoe dan ook bleven de natuurlijke omstandigheden de belangrijkste rol spelen, zoals Feith betoogde. Na het lezen van zijn beleving van een zwempartij kostte het me moeite dit artikel af te maken: `Een natuurlijke waterval, doorzichtig water, een droom-achtige omgeving, met reusachtige visschen, die u gezelschap houden, om niet te vergeten de uitbundige belangstelling van heele troepen apen.'

Wat doe ik hier nog?

jurryt@xs4all.nl