Ik geloof in God en zijn profeet Al Pacino

Aan weinig mensen op deze wereld zijn de beelden van 11 september ontgaan. Maar wat ging er om in het hoofd van hen die op de 107ste etage zaten te wachten op hun dood? Drie Franse schrijvers proberen met hun verbeelding de gebeurtenis te begrijpen.

Wat er op 11 september 2001 in New York gebeurde, gaat ons voorstellingsvermogen te boven. Niet zozeer omdat er duizenden doden vielen, maar omdat die vielen op een onvoorstelbare manier en op een plek waar men zich veilig voelde. Wie er desondanks achter wilde komen hoe het eraan toeging op die dag, in die torens, had een aantal mogelijkheden: in de weken erna eindeloos CNN kijken, de documentaire van de gebroeders Naudet gaan zien of miraculeuze ontsnappingsverhalen lezen op internet. Of: je verbeelding erop loslaten.

Dat laatste heeft nu een aantal Franse schrijvers gedaan: dit najaar verschenen maar liefst vier Franse romans én een stripverhaal over 11 september. De interessantste poging om op literaire wijze iets te begrijpen van wat er die dag gebeurd is, komt van Frédéric Beigbeder, al is zijn project volgens de schrijver zelf bij voorbaat tot mislukken gedoemd: `Het schrijven van deze hyper-realistische roman is moeilijk gemaakt door de realiteit zelf. Sinds 11 september 2001 overstijgt de werkelijkheid de fictie niet alleen: zij vernietigt die ook. Je kan over dit onderwerp niet schrijven maar je kan ook niet ergens anders over schrijven'.

Vandaar dat Beigbeder de middenweg heeft gekozen in Windows on the World. In de ene helft is hij zelf aan het woord, onder meer over de onmogelijkheid van dit boek, de andere helft van de hoofdstukken is geschreven vanuit het perspectief van een man die om 8.46 uur samen met zijn zoontjes zat te ontbijten in de noordelijke toren. Aangezien dat restaurant op de 107de verdieping lag, is meteen duidelijk hoe het zal aflopen. `Dit is geen thriller', schrijft Beigbeder: `U kent het einde: iedereen sterft'.

Maar voor veel mensen boven in die toren zat er ruim anderhalf uur tussen de inslag en hun dood. Dat gruwelijke uitstel van executie werkt op ieders verbeelding. Wat deden ze in die tijd? Wat zeiden ze tegen elkaar en tegen hun geliefden over de telefoon? Hebben ze veel gebeden, zoals Beigbeder suggereert?

Zegt Beigbeder dat de tijd `van elastiek' werd, Luc Lang noemt hem juist oneindig samengeperst. In zijn boek 11 septembre mon amour schreef Lang ook over die momenten en over de laatste telefoongesprekken. Hij probeert die `vluchtige en vormeloze stemmen' een vaste en geschreven vorm te geven. Hij voelt zich erdoor aangesproken `zoals door de stem van een opengeslagen boek'. Behalve een poging om zich voor te stellen wat er gezegd is in die telefoongesprekken, komt er verder weinig verbeelding aan te pas in Langs boek. Hij was op 11 september in Amerika, en hoewel hij ver weg in Montana was, zegt hij dat hij wel de `seismische golven van de schok' kon voelen. `Ik heb alles gezien op 11 september', zegt hij, maar het pijnlijke is dat hij precies hetzelfde zag als wij allemaal, namelijk CNN. De beelden die op ieders netvlies staan gebrand, worden door Lang nóg eens beschreven.

Ook Beigbeders verhaal moet gebaseerd zijn op televisiebeelden en net als Lang komt hij steeds weer uit bij de dingen die elke kijker nog helder voor de geest staan. Hoeveel het op een Hollywood-rampenfilm leek, hoeveel papier er door de lucht vloog, hoe wit van het stof de mensen waren die uit het rampgebied kwamen. En, het afschuwelijkste, hoe de mensen sprongen en wat voor geluid het gaf als ze neerkwamen. De rest werd de kijkers bespaard – de beelden van 11 september waren opvallend `schoon' in de zin dat er geen bloed en lijken te zien waren. Beide schrijvers wijzen op die plotselinge autocensuur van de doorgaans zo schaamteloze camera's. Lang juicht die kiesheid toe, Beigbeder vindt het hypocriet. Hij is zo eerlijk om te erkennen dat hij kan genieten van het dramatische van de beelden en hij roemt de `vluchtige schoonheid' van de rookwolk boven het WTC.

Eenzaamheid

In een grondig zelfonderzoek gaat hij na wat hem zoal fascineert aan de gebeurtenis, en hoewel je je kan afvragen of het nu zo hard nodig was dat Beigbeder zijn ego opnieuw aan de lezer presenteert, doet hij het dit keer wel op een mooie manier. In een lange lijst van `Je m'accuse'-zinnen beschuldigt hij zichzelf van narcisme, jaloezie, trotse luiheid, en tot slot veroordeelt hij zichzelf tot de eeuwige eenzaamheid. Nog meer dan zijn eerdere boeken zit Beigbeder hier in de knoop met zijn tekst, zichzelf, zijn relatie en de rest van de wereld. En onwillekeurig voel je sympathie voor hem, voor zijn pogingen om een beter mens en een betere vader te zijn.

Zelfs zijn flauwe grappen wil je hem vergeven. Want flauw is hij, zoals zijn voorstel om de naam van het restaurant boven in de toren om te dopen in `Windows on the crash' of `Broken windows'. Om nog maar te zwijgen over zijn grappen aangaande gegrilde karbonaadjes. Misschien is dat het soort grappen dat Martin Amis voor ogen had toen hij zei dat de humor het eerste slachtoffer was dat viel op 11 september 2001.

Een andere poging om de wereld van na 11 september met humor te benaderen komt van Y.B. en zijn roman Allah superstar. Zijn hoofdpersoon Kamel wil stand-up comedian worden en hij grapt in dat kader bijvoorbeeld over jongens die geen parkeerplekje voor hun Boeing konden vinden midden in Manhattan. Ook over Allah en over fundamentalisten maakt hij flauwe grappen, in de hoop op een fatwa die hem net zo beroemd zal maken als Salman Rushdie.

In zijn onvertaalbare Algerijns-Frans zegt hij rake dingen over zowel het islamisme als het anti-islamisme in Frankrijk sinds 11 september (en daarvoor). Daarmee doet Y.B. denken aan Fouad Laroui, die ook geen van beide kampen spaart in zijn romans. De initialen staan voor Yassir Benmiloud, een Algerijnse schrijver die een column had in de grootste Franstalige krant van Algerije. Daarin verzette hij zich zowel tegen de generaals als tegen de extreme `islamistes', zodat hij in 1997 moest vluchten naar Frankrijk.

Hoewel zijn roman te lezen is als één lange conférence, zit er ook een serieuze kant aan. De held van dit satirische verhaal, een jongen uit de buitenwijk Evry, heet niet voor niets `Kamel Léon': als een kameleon neemt hij de kleur aan van de omgeving waarin hij zich bevindt. Hij gaat naar de moskee en verdedigt zijn gelovige vader (`als mijn vader vijf keer per dag bidt is dat tegen Mekka, niet tegen jou'), maar tegelijk is de Amerikaanse cultuur zijn belangrijkste referentiekader: `Ik geloof in God en in Al Pacino zijn profeet'. Kamels mentale horizon bestaat uit Play Station en de Quick Hamburgerketen waar hij werkt. Als komediant baseert hij zich op de Marx Brothers en Woody Allen: `de ware macht is die van de verbeelding en daar hebben de Amerikanen meer van dan wij'.

Ook Beigbeder schat de Amerikaanse cultuur hoger dan de Franse. De Franse uitzondering bestaat volgens hem alleen nog voor zover er `uitzonderlijke klotefilms' worden gemaakt en `uitzonderlijke kloteboeken' geschreven – zijn eigen werk niet uitgezonderd. Het anti-amerikanisme komt volgens hem slechts voort uit een minderwaardigheidscomplex van Europese kunstenaars. Frankrijk heeft dezelfde verhouding met de Verenigde Staten als de provincie met Parijs: een mengsel van bewondering en afwijzing, van het verlangen om er te zijn en de trots om dat verlangen te kunnen weerstaan.

Afschuw

Luc Lang heeft geen last van een dergelijke ambiguïteit jegens de Amerikaanse cultuur. Bij hem is er geen sprake van bewondering of verlangen, maar van pure afschuw. Lang somt de redenen daarvoor nog eens op: de indianen en hun bizons, de Palestijnen, de Japanse burgers in 1945: allemaal door Amerika van de kaart geveegd: `Tatatatatatatatata', `Bang, bang!'. Weinig subtiel hamert hij het er in: Amerikanen hebben gezichten als hammen, ze zijn moordenaars, en de imperialist Bush zelf is de eerste verantwoordelijke voor de aanslagen van 11 september.

Wijsneuzig en psychoanalytisch merkt Lang op dat de Amerikaanse samenleving zich bevindt in het gelukzalige stadium van de zuigeling: het eeuwige aan rietjes lurken is het zuigen aan de moederborst, en hij noemt hun verdriet na 11 september `kinderlijk en regressief'. Het is jammer dat hij niet probeert een meer degelijke analyse te maken van de Amerikaanse samenleving, en zich in plaats daarvan beperkt tot de clichés: de slappe koffie, de slechte eetgewoonten, de grote auto's. Al met al maakt Lang meer woorden vuil aan een mislukte T-Bone steak dan aan 11/9.

Geef mij dan maar Beigbeder die tenminste toegeeft dat hij niets begrijpt van wat er op die dag is gebeurd: `Als u de geopolitieke knoop van het terrorisme wilt ontwarren, moet u zijn bij de loketten Spengler, Baudrillard, Huntington, Adler, Fukuyama, Revel. Al kan ik u niet garanderen dat de dingen daar meteen veel duidelijker van zullen worden'.

Die eerlijkheid maakt Beigbeders boek de moeite waard. Omdat hij toegeeft dat hij de aanslag wel goed kon gebruiken om eindelijk eens een roman te schrijven die ergens over gaat. Dat hij gefascineerd was door de apocalyptische televisiebeelden en zo geconfronteerd werd met `het deel van mijn menselijkheid dat niet menselijk is'. Door dat op te schrijven, maakt hij waar wat hij zichzelf tot doel gesteld had: te gaan waar de televisie niet gaat.

Frédéric Beigbeder: Windows on the world. Grasset, 373 blz. €18,–

Luc Lang: 11 septembre mon amour. Stock, 247 blz. €18,05

Y.B.: Allah superstar. Grasset, 264 blz. €17,–