Het tapijt ruikt net als thuis

De afgelopen twintig jaar hebben miljoenen Afghanen hun land verlaten. Eerst sloegen ze op de vlucht voor de Russische inval in 1979, later verjoeg het schrikbewind van de Talibaan nog eens honderdduizenden goed opgeleide Afghanen. De meesten verlieten de hoofdstad Kabul in zuidoostelijke richting om hun heil te zoeken in de Pakistaanse stad Peshawar, waar de vluchtelingen in kampen werden opgevangen.

In zijn roman Het labyrint van droom en angst beschrijft de naar Frankrijk geëmigreerde Atiq Rahimi hoe zijn hoofdpersoon de Afghaans-Pakistaanse grens oversteekt: hij wordt in een tapijt gerold en in de achterbak van een vrachtwagen gegooid, waarna twee vrouwen op de rol gaan zitten. `Mijn lichaam baadt in het koude zweet. Ik haal zo diep mogelijk adem. Het zweet brengt de lucht van het vloerkleed weer tot leven. Een vertrouwde lucht. Het was het enige grote vloerkleed in huis, de bruidsschat die mijn moeder van haar vader had meegekregen en mee naar haar man had genomen. De bruidsschat van mijn moeder schuurt in mijn gezicht.' Later, aan de andere kant van de grens, wordt het tapijt uitgerold en begint de ballingschap.

In een paar zinnen schetst Rahimi de doodsangst van zijn hoofdpersoon die het gevoel heeft te stikken in het tapijt dat fungeert als gevangenis, als middel tot redding en symbool van zijn gelukkige kindertijd. Prachtig wrang is dat hij zijn land verlaat met zijn zintuigen nog vol van `thuis', verborgen in een voorwerp dat bij uitstek refereert aan zijn familie die hij achterlaat. Om die snijdende en nostalgische breuk op te roepen heeft Rahimi aan enkele alinea's genoeg.

Dat laatste geldt zeker niet voor de eveneens in Afghanistan geboren, naar de Verenigde Staten geëmigreerde auteur Khaled Hosseini. In zijn dikke, oorspronkelijk in het Engels geschreven, eveneens uitstekende roman De vliegeraar van Kabul ontvlucht ook zijn hoofdpersoon, de in een welvarend gezin opgegroeide jongen Amir, in maart 1981 zijn land, via dezelfde route naar Peshawar. Met zijn vader en nog zes anderen zit hij in de laadbak van een vrachtwagen die toebehoort aan de mensenhandelaar Karim. Hun huis hebben ze achtergelaten alsof ze een eindje om gingen: kopjes vuil op het aanrecht, bedden onopgemaakt. Bij een controlepost wil een soldaat, high van de drugs, hen alleen doorlaten als hij eerst zijn gang kan gaan met een mooie, jonge Afghaanse uit hun gezelschap. De vader van Amir verdedigt haar eer en brengt het er maar net levend vanaf. De vrachtwagen die hen halverwege zou ophalen blijkt er niet te zijn: die staat met pech honderden kilometers verderop. In de tussentijd zitten ze met zijn dertigen in een ondergrondse kelder, waar Amir een schoolgenootje treft. Deze blijkt verkracht en sindsdien nog maar een schim van wie hij was. Er wordt een tankwagen geregeld, waar ze met zijn allen in worden geperst: `Paniek. Je doet je mond open. Zo wijd dat je kaken kraken. Je beveelt je longen lucht naar binnen te halen, NU, je hebt lucht nodig, en wel NU. Maar je luchtwegen negeren je. Ze klappen samen, vernauwen, krimpen ineen, en ineens haal je adem door een rietje. Je mond gaat dicht en je lippen tuiten en je krijgt niet meer voor elkaar dan een afgeknepen gegier. Je handen kronkelen en beven. Ergens is een dam gebroken en een vloedgolf koud zweet overspoelt je hele lichaam. Je wilt schreeuwen. Je zou het doen als je kon. Maar je moet ademhalen om te kunnen schreeuwen. Paniek.' Eenmaal uit de tank blijkt de verkrachte jongen te zijn gestikt. Zijn vader steekt de loop van zijn pistool in zijn mond en drukt af.

Veertien dramatische pagina's uit het boek van Hosseini en nog is deze samenvatting van de vlucht over de Afghaans-Pakistaanse grens verre van compleet. Hosseini's roman heeft dezelfde thema's als die van Rahimi: vlucht, doodsangst, verstikking, ballingschap. Daar houdt de overeenkomst dan ook meteen op: het verschil in stijl is hemelsbreed. Hosseini emigreerde vanuit Afghanistan naar de VS en werd schrijver, Rahimi ging naar Frankrijk en deed hetzelfde. Het is verrassend om te zien hoezeer beiden werden gevormd door de literatuur van het land waar ze domicilie kozen. Rahimi behield elementen uit de traditie van de Afghaanse poëzie en werd bovendien gevormd door de ingetogen, sobere, poëtische en suggestieve manier van schrijven die je vaak bij Franse auteurs van nu tegenkomt: er blijft veel te raden, er wordt het nodige overgelaten aan de verbeelding van de lezer en als de auteur buiten Frankrijks grenzen is geboren blijft de literaire, culturele erfenis uit het land van herkomst voelbaar.

Hosseini's hoofdpersoon volgt lessen creative writing – waarschijnlijk deed de auteur dat zelf ook – en behalve een enkele verwijzing naar een Perzische mythe is er niets Afghaans aan zijn stijl. Die is voluit Amerikaans: breed verhalend, gedetailleerd, meeslepend, met veel wendingen, crises, knokpartijen en drama's in de plot. Als lezer hoef je niet veel meer te doen dan je te laten bekoren.

Khaled Hosseini: De vliegeraar van Kabul. Vertaald door Miebeth van Horn, De Bezige Bij, 352 blz. €19,50

The Kite Runner. Bloomsbury, 324 blz. €23,60

Atiq Rahimi: Het labyrint van droom en angst. Vertaald door Theo Buckinkx, Prometheus, 173 blz. €17,95