Het land van de kwaaddoeners

Amerika is in de greep van de waanzin, aldus journalist en hoogleraar Karel van Wolferen. Het land is verworden tot een corrupte plutocratie die de wereld bedreigt met op hol geslagen imperialisme. Maar in zijn woede daarover gaan gevoel voor nuance en historische distantie kopje onder.

Het Amerika van George W. Bush werkt op de zenuwen. De welwillende supermogendheid van weleer etaleert verbetenheid, fanatisme en een bijna romantisch soort roekeloosheid. Niemand zal erom treuren dat het land de wereld heeft verlost van Saddam Hussein, maar vast en zeker heeft Amerika de vaderlijkheid van zich afgeschud, die zo kenmerkend was voor het gematigde oostkust-establishment van de eerste naoorlogse generatie. Dat is al lang aan de gang, misschien wel ingezet in de tijden van Jimmy Carter en Ronald Reagan, die in zekere zin twee kanten van dezelfde medaille vormden: een afrekening met het traditionele Washingtonse establishment, met veel geloofsijver en grass roots. Maar de roekeloosheid is in een tempoversnelling gekomen na het vertrek van vader Bush, ten tijde van de greed-is-good-bonanza van de jaren negentig, het hierin afwezige morele leiderschap van president Clinton en vervolgens nu de radicalisering van de politieke elite onder George W. Bush.

Het werkt Europa op de zenuwen en dat vliegt alle kanten op. Europese leiders, intellectuelen, zakenlieden – iedereen is druk doende zichzelf nader te definiëren aan de hand van het allesoverheersende fenomeen Amerika. In columns en praatprogramma's leidt het tot schreeuwpartijen. De kompassen draaien wild rond en er heerst een grote schaarste aan bedachtzaamheid – een eigenschap waar je trouwens in een televisiecultuur sowieso alleen maar last van hebt.

Wat moeten we met deze mondiale wrijfpaal Amerika?

De vraag is zo oud als het bestaan van de Verenigde Staten zelf en de golven van bewondering en verguizing hebben alleen al in Nederland vanaf Potgieter (bewondering) via Ter Braak (verguizing) tot vandaag voor deining gezorgd. Toch lijkt de recente storm alles te overtreffen, nu de klassieke atlantici houvast verliezen en klassieke anti-Amerikanisten voor hun gelijk geen wenkende thuishaven weten te vinden.

Deze Toestand in de Wereld vraagt eigenlijk om een time out. De gemoederen moeten worden gekalmeerd, duiders en denkers moeten de balans kunnen opmaken, bestuurders moeten worden gevoed met inzicht en uitzicht om de prachtige kansen die de huidige situatie ook ongetwijfeld in zich bergt te ontdekken en met enige rust vorm te geven.

Het komt daarom als geroepen dat juist nu Karel van Wolferen een boek heeft geschreven dat bedoeld is om invloed uit te oefenen op het debat. De titel van dit oorspronkelijk in het Engels geschreven werk is tevens het motto: George W. Bush and the Destruction of World Order. Van Wolferen was vele jaren correspondent voor deze krant in Tokio, en verwierf zich als weinige andere Nederlanders een weliswaar kortstondige, maar intense faam in Amerika aan het eind van de jaren tachtig met zijn baanbrekende studie over Japan (The Enigma of Japanese Power). Het tot dan toe nogal primitieve Japan-bashing in Amerika dat er vooral door protectionistische vakbonden werd bedreven, kreeg dankzij Van Wolferen een intellectuele legitimatie en iemand als Richard Gephard, die ook in die dagen al wel eens flirtte met de gedachte president van zijn land te kunnen zijn, putte gretig uit de inzichten die Van Wolferen bood.

Inmiddels is Van Wolferen alweer geruime tijd terug in Nederland en universiteitsprofessor in Amsterdam. Hij heeft zijn vizier inmiddels van Azië naar Amerika gewend. Het resultaat is nu een boek dat de lezer in TGV-tempo op ruim driehonderd bladzijden langs een onmetelijk weids landschap jaagt, waarin weinig onbesproken blijft. Deels is De Ondergang van een Wereldorde (de Nederlandse titel laat George Bush weg) een studie, maar bovenal is het een even opruiend als prikkelend pamflet. Het leitmotiv is niet meer en niet minder dan de vierkante vaststelling dat Amerika in een nationale, collectieve waanzin terecht is geraakt. Na de val van de Sovjet-Unie heeft de democratie helemaal niet gezegevierd, want het machtigste land heeft zich ontpopt als een plutocratie met corrupt, militair imperialisme als uitkomst en niemand ziet het omdat er waanzin heerst, aldus de auteur.

Bij deze plutocratie staat Van Wolferen uitvoerig stil en hij biedt een treffende analyse van de bronnen en uitwassen van het Amerikaanse kapitalisme. Hij laat zien hoe diverse checks and balances in het kapitalistische systeem zijn verdwenen, waardoor de macht van Wall Street vele malen groter is dan de ogenschijnlijke vrijheid van handelen in zo'n beursstelsel suggereert. Deregulering deed verwoestend werk, maar ook een ander wakend oog – het intellectuele tegengeluid – is verstomd.

De romantische fantasie is in dit Amerika volgens Van Wolferen op hol geslagen – de fantasie van het vrije, ondernemende individu. Door deze mythe hebben de Amerikanen geen goed zicht op wat zich de laatste decennia heeft ontwikkeld. Er is een `nieuwe klasse van inhalige plutocraten' opgestaan, die met geleend geld solide bedrijven heeft gekocht en verhandeld en een imperium heeft opgebouwd op basis van financiële verslagen in plaats van technologische kracht of kennis van de markt. De wereld van de bedrijfsconsultants, of ze nu Boston Consulting of McKinsey heten, heeft krachtig bijgedragen aan deze perversie. Met de hulp van deze consultants `werd een patina van eerbiedwaardigheid gecreëerd waardoor het management dingen kon doen die vroeger eenvoudig als onaanvaardbaar zouden zijn beschouwd'. Meestal zonder het zelf te beseffen is deze groep in de greep van een ideologie die `de kolonisatie van het land door het bedrijfsleven' in stand houdt. Er is inmiddels een kleine kaste van onmetelijk rijke Amerikanen, die de dienst uitmaakt en een verwoestende uitwerking heeft op de rest van de wereld.

De suggestie wordt nu wel gewekt dat de boekhoudschandalen de rotte appels vormen van het kapitalisme, maar laat niemand dit fabeltje geloven, want in werkelijkheid is de structuur van het kapitalisme rot. En dit kapitalisme is bewust vanuit Amerika de hele wereld over gejaagd, de Amerikaanse ideeën over economie `sloten zo naadloos aan bij de politieke ambities van theoretici en kapitalisten dat ze later zonder noemenswaardige tegenstand het fundament van de wereldeconomie werden'.

Tegenwicht daartegen ontbreekt – ja, sterker nog, het dolgedraaide kapitalisme heeft ook de steun gekregen van een hele generatie intellectuelen en politici, de neoconservatieven. Aanvankelijk klonk dit neoconservatieve geluid niet onredelijk als een afrekening met het doorgeslagen, eenzijdige negativisme jegens westerse waarden uit de jaren zestig. Maar die fase van het natuurlijke tegenwicht tegen heersende opinies is het neoconservatisme al lang voorbij. Het is inmiddels een cynische ideologie geworden, die een intellectuele rechtvaardiging verschaft voor een naakte usurpatie van de macht door een militair-industrieel complex, een macht die meedogenloos is.

Amerikanen zijn in deze waanzin verzeild geraakt, onder meer omdat hun media hebben gefaald. Het grootste deel van de informatie-industrie is vermaaksindustrie geworden. Treffend legt Van Wolferen in dit verband de vinger op de zere plek van de buitengewoon beperkte belangstelling op de Amerikaanse televisie voor enige serieuze berichtgeving uit het buitenland. De weinige serieuze media die resteren, maken in de ogen van Van Wolferen de fout zich met een soort pseudo-objectiviteit in slaap te laten sussen. Zij zouden moeten attaqueren, blootleggen en ontmaskeren – een stelling waarop zoveel is af te dingen dat het hier verder maar achterwege wordt gelaten.

Dit hele proces culmineert nu in het presidentschap van George W. Bush, zo ongeveer de slechtste president uit de Amerikaanse geschiedenis, aldus Van Wolferen. `George W. Bush is niet geschikt voor zijn ambt, omdat hij niet genoeg weet', aldus Van Wolferen. `Het kan overdreven lijken om te stellen dat het moeilijk zou zijn geweest iemand te vinden die nóg minder talent heeft om de scepter over de wereld te zwaaien dan George W. Bush. Maar dit komt dicht bij de waarheid'. De man voert ons terug naar de dagen van koningen `tegen wie men zich niet kon verweren, hoe gek ze ook waren'. Bush wordt geleid door een `manicheïstische fantasie', waarbij een soort eindstrijd tussen goed en kwaad moet worden geleverd. Het gevolg is een zorgwekkende blikvernauwing, waarbij uiteindelijk maar twee dingen bestaan, dat wil zeggen `with us or against us'.

Het kapitalistisch-neoconservatieve complex koos deze Bush uit, omdat hij zou doen wat hem door de zwaargewichten uit de rechtervleugel werd opgedragen en omdat hij zachtaardig overkwam, hetgeen gematigde kiezers trok. Bush zelf is derhalve een kunstmatig product, `een van de spectaculairste voorbeelden van een geslaagd verzinsel'.

De regerende kliek heeft op deze manier zijn zaakjes goed voor elkaar, is corrupt, met allerlei banden tussen politiek en olie, tussen politiek en zware industrie. De familie Bush zit in de olie, vice-president Dick Cheney komt eruit voort, Condoleezza Rice adviseerde Chevron en Rumsfeld heeft zich voor de firma Bechtel intensief met oliepijpleidingen beziggehouden. Een mensenleven meer of minder telt daar niet meer. In dit verband wijst Van Wolferen op de ontwikkeling van het Amerikaanse leger van een dienstplicht-leger naar een beroepsleger, waar tegenwoordig vooral lager opgeleiden met weinig geld hun weg vinden naar de onderste treden van de maatschappelijke ladder. De Amerikaanse intellectuelen hebben geen enkel contact meer met degenen die de oorlogen in het buitenland moeten voeren, zij zien hen als huurlingen die van hun belastingcenten worden betaald en dat geeft lieden als minister van Defensie Rumsfeld en zijn rechterhand Paul Wolfowitz ruimte om in hun roekeloosheid te volharden. Zij gaan dus letterlijk over lijken.

In feite is in Amerika, aldus Van Wolferen, het spookbeeld van George Orwell werkelijkheid geworden – het doet er althans `griezelig veel aan denken'. Vandaar dus diens vaststelling van een nationale waanzin.

In wezen is hier sprake van een groot complot, maar de intellectuele propagandamachine is zo gewiekst dat het inmiddels gemeengoed is geworden om niet in complottheorieën te geloven. `De beschuldiging dat je ,,een complottheorie' de wereld in brengt, is erger dan niet serieus genomen worden. De meeste commentatoren die de actualiteit bespreken zijn daarom uiterst voorzichtig opdat ze dat etiket maar niet op hun getheoretiseer geplakt krijgen. En dat komt de samenzweerders natuurlijk goed uit'.

Zou het werkelijk?

De auteur heeft iets met complotten. In zijn boek over Japan voorzag hij ook al komende wereldheerschappij, maar dan van de Japanners. Dat ging toen zo: `Hoewel er geen overtuigende reden is de bureaucraten ervan te verdenken dat ze een groot meester-plan hebben uitgewerkt voor industriële overheersing van de wereld, heeft datgene wat ze doen wel hetzelfde effect alsof er zo'n plan bestond'. Met Japan is het zoals we nu weten wat anders gelopen, hetgeen aan de inzicht verschaffende analyses van Van Wolferen destijds niet zoveel afdeed, want voorspellen is weer een ander vak.

In zijn Amerika-boek raakt Karel van Wolferen een hele reeks belangwekkende aspecten van de Amerikaanse politieke cultuur. In zijn scherpe kritiek op het land is hij bepaald niet uniek en zijn suggestie dat dit type geluid door Amerikanen praktisch niet meer kan of mag worden geuit, is wat overdreven. Auteurs als William Pfaff (al vanaf Barbarian Sentiments), recentelijk Mark Hertsgaard, J.K. Galbraith, Michael Lind en Paul Krugman hebben voor priemende analyses over de toestand van de natie gezorgd en wie de eerste schermutselingen van Democratische presidentskandidaten volgt, hoort passages uit hun geschriften in oneliners terugkomen.

Uniek is wel de radicale zeis waarmee Van Wolferen over Amerika maait, zodat er her en der mogen sneuvelen die toch een nadere blik waard waren geweest. Ter illustratie valt te wijzen op de belangrijkste militaire doctrine van George Bush, de doctrine van de `preventieve oorlog' tegen schurkenstaten. Deze doctrine druist in tegen pogingen die eeuwenlang waren ondernomen om een relatief veilige, geordende wereld te scheppen, aldus Van Wolferen. Het komt uit de koker van de ideologen, uit de behoefte tot oorlogvoering teneinde Bush een sterke binnenlandse positie als oorlogspresident te geven en zo af te leiden van diens `wangedrag' als zakenman in een eerder leven.

Maar klopt dit nou eigenlijk wel helemaal?

Over deze preventie-doctrine wordt al veel langer nagedacht en niet alleen in Amerikaanse neoconservatieve kringen. De wijze Democraat en decaan van de Kennedy School, Joseph S. Nye heeft er onlangs een aardig boek (The Paradox of American Power) over geschreven met de verklarende ondertitel: `Why the World's only Superpower can't go it Alone'. Nye laat hierin met uitvoerige analyse zien hoe oorlog de laatste tien jaar in zekere zin is geprivatiseerd, met niet langer staten als handelende personen, maar hooguit het grondgebied van schurkenstaten of `failed states' als uitvalsbasis voor oorlogshandelingen. Deze transnationale oorlogvoering is in het Handvest van de Verenigde Naties ruim een halve eeuw geleden niet voorzien. Maar inmiddels is wel de prijs voor eenvoudigweg afwachten totdat een aanval komt, simpelweg te hoog geworden, gegeven de gegroeide kwetsbaarheid van samenlevingen en de technologische mogelijkheden voor een terrorist. De internationalist Nye bepleit dan ook onder de hoede van de Verenigde Naties een aanpassing van het Handvest om nieuwe dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Met andere woorden, de Bush-doctrine is analytisch gezien zo gek niet en in elk geval aanzienlijk meer dan een manipulatieve handigheid om alleen maar Amerika in een permanente staat van beleg te duwen. Voor Van Wolferen zijn zulke nuances niet relevant en wie ze aanbrengt is dom of wordt gemanipuleerd door de Amerikaanse machthebbers.

Als het om de media gaat is Van Wolferen ook overzichtelijk. Hij neemt praktisch de these van Hillary Clinton over dat de Monica-Lewinsky-affaire een media-hetze – een samenzwering – van Republikeins rechts was om Clinton en de Democraten op te jagen en te discrediteren. Daarin schuilt zeker een stuk van de werkelijkheid, maar ook niet meer dan dat. We kunnen het ook als volgt bekijken: Presidentskandidaten voeren tegenwoordig alom campagne met onder meer hun gedrag van betrouwbare family man als troefkaart. Ze brengen hun huwelijk, hun privacy schaamteloos in als campagnemateriaal. Daarom moeten vrouw en kind(eren) mee de boer op om vertrouwen te werven en kiezers te winnen en staan vijftigjarige mannen op podia hun vrouwen te knuffelen alsof het net drie maanden aan is. Dat deed ook Clinton en op dat moment wordt de kwaliteit van family man dus ook een publieke zaak, op dat moment worden journalisten uitgenodigd tot voyeurisme, want de kiezer wil weten of hij belazerd wordt of niet. Het campagneplaatje bleek niet te kloppen.

De Lewinsky-affaire behelsde voorts nog iets heel anders: in Amerika willen mensen een gevoel van trots cultiveren jegens het ambt van president. De parafernalia van dat ambt – de spreekstoel met wapen, de gekruiste vlaggen – worden kriskras met de ambtsdrager door het land heen gesleept en overal klinkt het bij elk optreden weer `Ladies and gentlemen, the President of the United States' en hopla, dan komt hij op. Het is ritueel dat bij de civiele religie van de Amerikaanse republiek hoort en dat door iedereen jegens de president wordt nageleefd – door Republikeinen net zo goed als Democraten. Nederlanders met hun doe-maar-gewoon-opvoeding vinden dat wat potsierlijk, maar zo gaat dat nu eenmaal in Amerika. Is het dan zo verwonderlijk dat iedereen jegens de eigen rituelen zo intens in verlegenheid wordt gebracht wanneer de ambtsdrager zich met een stagiaire dingen heeft veroorlooft waarvoor menig superieur inderdaad wegens misbruik van machtsverhoudingen zou worden ontslagen? Een goede, Democratische huisvriend van de Clintons (Garry Wills) heeft recentelijk in de New York Review of Books heel treffend en vol inlevingsvermogen over deze verlegenheid geschreven. Deze verlegenheid was authentiek, geen constructie van samenzweerders.

Het zijn dit soort kanttekeningen en pogingen tot verklaring die in The Destruction of World Order ontbreken. In plaats daarvan biedt de auteur een welhaast monotoon relaas van gebeurtenissen en ontwikkelingen die allemaal slechts een en dezelfde kant opgaan. Het leidt tot grote reeksen sweeping generalisations en een soms komisch werkend gevoel voor verhoudingen. Zo meldt hij in zijn aanloop tot het ontspoorde kapitalisme doodleuk dat `niemand in de Middeleeuwen dacht in termen van een private en publieke sector', en zo begint hij ook ergens heel serieus als volgt: `Als je de commentaren van binnen- en buitenlandse auteurs van de laatste paar eeuwen kritisch doorneemt'. Het staat er echt – `de laatste paar eeuwen'.

In zijn woede verliest de auteur het zicht op een vraag die hij zich gelet op de these had moeten stellen, namelijk of het definitief afgelopen is met Amerika als democratie of dat er nog inkeer en ommekeer mogelijk zijn? Hij adviseert de Europeanen om deze regering verder maar te mijden.

Maar is dat realistisch of zelfs maar politiek verstandig? Ik zou zeggen, integendeel. Juist deze dagen zijn de kansen groter dan sinds twee jaar dat er in de Amerikaanse politieke top dingen gaan schuiven. Immers, in Irak vertilt het land zich, het bereikt de grenzen van zijn militaire capaciteit en het zou zelfs straks George W. Bush gewoon heel democratisch zijn politieke kop kunnen kosten, wanneer er weer verkiezingen zijn. Niets van aantrekken, lijkt de auteur te zeggen, vooral `geen bruggen bouwen' want de Washingtonse cynici zijn doof. Een wisseling van de wacht, een ander Amerika – dit past niet meer in Van Wolferens apodictische beeld van de toestand.

In dit boek van Van Wolferen komen diverse buitengewoon waardevolle aanzetten tot een Amerika-debat aan de orde. Het prikkelt en het is in feite een heel Amerikaans current affairs boek, waar stelligheid niet wordt geschuwd. Maar elke nuance, elke intellectuele scepsis is zo afwezig dat het op den duur het boek zijn gezag ontneemt. De bescheidenheid van een contemporain historicus die weet dat het duiden van de eigen tijd toch altijd zoiets blijft als krabben aan beton – ontbreekt volledig en zo blijft een relaas over dat minder met wikken en wegen en meer met verontwaardigd pamflettisme van doen heeft. Dat is niet verboden, het is zelfs heel goed, het prikkelt ook maar het is wel een ander genre dan de auteur pretendeert.

Karel van Wolferen:

De ondergang van een wereldorde.

Contact, 336 blz. €19,90