Een storm voor de stilte

Het leven is heerlijk in De dwaas van Palmyra, de derde roman van Jan van Aken. Damis, de held van het verhaal, verblijft meestal op het achterdek van een Alexandrijns zeilschip, liggend op een rustbank, uitgenodigd door de mysterieuze Agathanassa, de mooiste vrouw die hij ooit heeft gezien. Soms verraadt een windvlaag iets van de lichaamsvormen onder haar kleed. Haar dienaren dragen speltbier, gebakken sardines en andere heerlijkheden aan, tijdens de gesprekken wordt er soms even weggedoezeld in de namiddagwarmte of onder de sterrenhemel.

Onderwerp van gesprek zijn de belevenissen van Damis met zijn leermeester Apollonius van Tyana, die hem vijftien jaar eerder onder zijn hoede nam toen hij een jonge tapijtknoper in Ninevé was. Met Apollonius is Damis door het eerste-eeuwse Nabije Oosten getrokken en eenmaal hebben zij de `dwaas van Palmyra' ontmoet – een rondreizende profeetachtige figuur. Damis noteerde alles onderweg, terwijl zijn meester hem voorhield dat al dat geschrijf zijn geheugen verpestte. Het geeft Van Aken de gelegenheid een aantal mooie verhalen te vertellen, bijvoorbeeld hoe Apollonius meende door een koe bepaalde kruiden te voeren, de urine van het dier tot een godendrank te kunnen maken. De wijsheden van de hoofdpersonen reiken soms tot in de toekomst, bijvoorbeeld wanneer Apollonius het lot van een na eeuwen opgegegraven kleitablet voorspelt: `Zal hij het niet aan zijn vrouw geven als knoflookschraper, voor in de keuken?'. Of: `Alleen beschaafde volken vernietigen moedwillig bibliotheken.' En: `Overigens komt een echt eengodendom maar heel weinig voor, het is natuurlijk geen levensvatbare idee.'

De lezer glijdt ongeveer zo soepel door de eerste honderd bladzijden van De dwaas van Palmyra als het zeilschip over de Middellandse Zee (dat Damis naar Italië moet brengen zodat hij zich daar met zijn meester kan herenigen), lichtjes in zowel de gebeurtenissen als in de filosofische gesprekken. Tot zich een mysterieuze Arabier op het achterdek meldt. Deze houdt Damis eerst voor Apollonius, om hem dadelijk daarna voor leugenaar en bedrieger uit te maken. Hij beweert dat Apollonius wel honderd jaar oud is. Kort daarop breekt een storm los die het schip – en Damis' aantekeningen – zwaar toetakelt.

Dan verwacht je dat ook het verhaal in een stroomversnelling komt, zeker met Van Akens De valse dageraad (2001) in gedachten. Daarin tuimelen de gebeurtenissen in hoog tempo over elkaar heen, opgetekend door een 99-jarige middeleeuwer die op wel erg onwaarschijnlijke wijze haast álles meemaakt. Maar de storm in De dwaas van Palmyra blijkt alleen een storm vóór de stilte te zijn. De wind gaat liggen en dagen van doelloos dobberen breken aan. Dat dobberen komt goed uit, want het is Van Aken niet in de eerste plaats om de avonturen buitengaats te doen. Belangrijker zijn de filosofische kwesties die aan boord worden besproken. Daarbij draait veel om de verhouding tussen het grote historische verhaal en de belevenissen van het individu. Al op de eerste bladzijde is besproken hoe een steen die je in een snelstromende rivier gooit, geen kringen in het water maakt.

Keer op keer krijgt Damis van zijn leermeester de les dat hij zich zowel door de vermeende feiten, alsook door de verbeelding moet laten leiden. Bijvoorbeeld wanneer zij op twee verschillende plaatsen `de kerkers van Prometheus' aantreffen. Damis voelt zich bedrogen, maar Apollonius spiegelt hem voor dat het niet de fysieke boeien zijn die tellen, maar de overtuiging van de toeschouwer.

Niemand is dan ook noodzakelijk degene die hij lijkt te zijn in De dwaas van Palmyra: de rondreizende dwaas niet, de mooie Agathanassa niet, maar ook Apollonius niet. Steeds vaker wordt Damis ermee geconfronteerd dat de legende over Apollonius vele malen groter is dan in een mensenleven past en dat ook de verhalen over diens leerling `Damis' omvangrijker zijn dan Damis' eigen ervaring. Hij wordt een hoofdpersoon die rekening moet houden met de mogelijkheid dat hij zelf fictie is.

Damis maakt zonder het te weten kennis met de manier waarop er in de eenentwintigste eeuw naar zijn tijd wordt gekeken – en naar hemzelf. Of althans naar de mogelijkheid van zijn bestaan. Onder historici is Apollonius van Tyana vooral bekend als rondreizend filosoof, genezer en volgens sommigen pseudo-christus. De belangrijkste bron over zijn leven is Philostratus' Leven van Apollonius (ca. 220 na Chr.). Daarin beroept Philostratus zich weer op de teksten van Damis van Ninevé. Die zijn nooit teruggevonden. In het nawoord bij de roman zegt Van Aken dat hij Apollonius bij voorkeur als fictie beschouwt.

De dwaas van Palmyra is zo een uitwerking van een gedachte van de hoofdpersoon uit Van Akens debuut Het oog van de Basiliek (2000) – en van zijn eigen poëtica: `Iedereen heeft zijn eigen versie en uiteindelijk overleeft het mooiste verhaal'. Het pleidooi voor de rol van de verbeelding in de geschiedenis – en in het verlengde daarvan, de afwijzing van dogmatisme – is aanstekelijk, maar nauwelijks opzienbarend. Zo ga je tegen het kalme einde van De dwaas van Palmyra vooral verlangen naar een nieuwe, zware storm die het leven op het zeilschip flink door elkaar zou schudden. Die lijkt Van Aken te bewaren voor zijn volgende boek.

Jan van Aken: De dwaas van Palmyra. Bert Bakker, 233 blz. €21,50