Een diep verlangen naar een schoon vel

In een van zijn gedichten laat Tadeusz Rózewicz zijn tante aan het woord. `Mijn tante zegt/ ik zou wel klein willen zijn als een wurmpje/ en in een kier zitten'. Gekke tante. Ze zegt wel meer, en wel meer rare dingen. Misschien is ze wel ziek: `en ze zegt/ ik sta al dichter bij de hemel dan bij de aarde'. Misschien ligt ze werkelijk op sterven. De dichter neemt haar relaas zonder verdere ingrepen over: `Er is niet eens geld voor een kist/ hij heeft alles opgezopen en is ervandoor/ met die snol/ ach laten ze me maar in een krant wikkelen/ en zo begraven'. Dat is het einde van haar monoloog, tevens het einde van het gedicht. Geen punten, geen komma's, geen hoofdletters, geen rijm of metrum. En ook geen aanwijzing voor hoe het te lezen: als de waarheid, als het verslag van een koortsdroom van tante, of van een van haar boze buien, of als een spottend portret?

Een ander gedicht heet `Arme August von Goethe' en begint zo: `hij ordende rangschikte/ papieren rekeningen/ herbaria kristallen en fossielen/ hij beschreef munten en medaillons/ inventariseerde/ veegde het stof van gipsen replica's/ antieke sculpturen/ beschreef in detail/ iedere dag van het leven/ rende naar zijn Vader/ wachtte op een pluim'. En dat is nog maar het begin van een lange, drie bladzijden tellende opsomming van alle dingen die de brave August deed om zijn Vader, met hoofdletter, de grote Goethe, te behagen – voordat hij zijn eigen weg ging, zonder veel succes: `daarna heeft August nog/ heel wat mislukte gedichten geschreven'.

Ook dit gedicht is geschreven in een puntvrije en interpunctieloze vorm – een van de opvallende eigenschappen van de poëzie van Tadeusz Rózewicz. Spreek uit: `Roesjeewietsj'. Geboren in 1921 in Radomsko, een provinciestadje in Polen. Radomsko? `Tussen Czestochowa en Piotrków Trybunalski', zo voegt Karol Lesman ter verduidelijking toe in zijn nawoord bij De rest is zwijgen, een keuze van vijftig gedichten uit het gehele oeuvre (vanaf 1946) van Rózewicz.

Praatproza

Opmerkelijk prozaïsche poëzie dus, ongekunsteld, hardop pratend en denkend en formulerend, op het babbelende af soms, in losse zinnen of fragmenten. Seriële poëzie, gelijkheidsbeginselpoëzie, hiërarchieloze poëzie, hoe moet je het noemen, met dit soort sequenties: `of hij het zelf had gemaakt/ of hij het had gevonden/ of hij het had gestolen/ of hij het had opgegraven' en dan zo verder. Bijna alle elementen van de traditionele vormgeving ontbreken. De gedichten van Rózewicz zien er op het eerste gezicht experimenteel uit, ondoordringbaar, als een muur van gelijkgeschakelde zinnen, maar het stramien is toch steeds het herkenbare stramien van proza, praatproza of dagboekaantekening. Rózewicz heeft zijn poëzie zelf wel eens anonieme poëzie genoemd, waarin `de stem van de anonymus' wordt gehoord.

Waarom zou een dichter zo kleurloos willen zijn? Er blijkt voor deze opvallend onesthetische vorm een duidelijke biografische verklaring te zijn. Rózewicz was zeventien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Hij ging er in als partizaan bij het binnenlandse leger (het AK, Armia Krajowa, de anticommunistische verzetsbeweging), hij kwam er zeven jaar later gedesillusioneerd weer uit – als iemand die te veel wreedheden, verschrikkingen en vernietigingen heeft gezien, als een toevallige overlever. Voor zover er na Oswiecim (Auschwitz) nog poëzie mogelijk was, zou dat voor het gevoel van Rózewicz (die tijdens de oorlog wel al verzetspoëzie had geschreven) alleen nog `naakte' poëzie kunnen zijn, ontdaan van alle dichterlijke middelen. Een nieuw begin, blanco, een poging zich te wagen `aan de schepping/ van een nieuwe mens/ een nieuwe taal', zoals hij het in een van zijn gedichten noemt.

In `Midden in het leven' poogt Rózewicz zijn gedwongen keuze voor de lege vorm uit te leggen. De titel is al veelzeggend: na zoveel doorstane ellende kan voor een vijfentwintigjarige het begin niet meer het begin zijn; het voelt al meteen als het midden van het leven. `Na het einde van de wereld/ na de dood/ stond ik midden in het leven/ ik schiep mezelf/ bouwde leven/ mensen dieren landschappen'. En van dat scheppen en bouwen krijgen we dan de nodige voorbeelden. Ontroerend bijna, alsof er een kind aan het woord is dat de wereld nog moet ontdekken, om zich heen tastend en benoemend: `dat is een tafel zei ik/ dat is een tafel/ op de tafel ligt brood een mes/ het mes is om brood mee te snijden/ mensen voeden zich met brood'. Een baby, maar dan in media vita. Het is al bijna de sfeer van paradijs en scheppingsverhaal en blijde boodschap: `een mens sprak tot het water/ hij sprak tot de maan/ tot de bloemen/ tot de regen/ hij sprak tot de aarde/ tot de vogels/ tot de hemel'. Hier klinkt de blijmoedige geest van iedereen die wil scheppen en van iedere vernieuwingsbeweging: het verlangen naar een schoon vel, een nog lege toekomst, nieuwe woorden en het liefst een geheel nieuwe taal. Die nieuwe schepping zou dan het tegenwicht moeten vormen voor alles wat in de oorlog vernietigd is.

Het is een ingreep om alle begrip voor te hebben, maar de eerlijkheid gebiedt mij tegelijkertijd toch ook te zeggen dat ik voor de vormloze, anonieme, zinnetjes aanslibbende spreekverzen van Rózewicz nog niet al te veel enthousiasme heb kunnen opbrengen. Ze zijn, zegt men in zo'n geval, wat ze zijn. Eenvoudige, naïeve, clouloze praat, met nihilistische ondertonen: `een jongen met blauwe/ sokken zit/ met open mond// hij wijst en noemt bij de naam// hij vraagt waarom waarom'. Ik weet het ook niet. Scherp, of pregnant, of pittig wordt het zelden.

Bon ton

Voor een deel komt dat ook wel door een zekere gedateerdheid. De sfeer van Weltschmerz, verheerlijking van de bohème, lijden aan de liefde, in de jaren vijftig onder dichters internationaal misschien bon ton, wekt nu toch al gauw de indruk van studentikoze namaakromantiek. `Ik hou van oude vrouwen/ lelijke vrouwen/ slechte vrouwen// zij zijn het zout der aarde'.

Sommige gedichten waren ooit vermoedelijk schokkend, of schokkend bedoeld, zoals een portret van Jezus als een zwerver op een bank in het park, maar brengen nu met hun sloom voortkabbelende stapelzinnetjes vast niet veel schrik meer teweeg: `en toch zei mij iets/ dit is de Mensenzoon// hij opende zijn ogen/ en keek mij aan// ik begreep dat hij alles wist// in verwarring liep ik weg'. En, ook een serieus bezwaar, in nogal wat gedichten gaat het alleen maar, ook in voortkabbelende stapelzinnen, over het dichten zelf, over de moeilijkheden ermee en de zin ervan. Dat leidt dan tot ontboezemingen als deze: `Ik heb dingen geschreven/ waar ik niet achter sta/ jaren gaan voorbij/ ik kan er niet achter staan/ noch ze verloochenen/ ze zijn niet goed maar ze zijn van mij/ ik heb ze voortgebracht' en zo verder.

Blijkbaar mis ik het juiste gevoel voor het wezen, of de wezenloosheid, van het Rózewicziaanse dichten. Intussen wordt hij, samen met Herbert, Milosz, Szymborska en Zagajewski, gerekend tot de grote namen van de naoorlogse Poolse poëzie. In meer dan veertig talen vertaald. `Na de oorlog verscheen een komeet van poëzie boven Polen' schreef Stanislaw Grochowiak. `De kop van de komeet was Rózewicz, de rest was staart.' In die staart bevond zich Wislawa Szymborska. `Ik kan me niet eens voorstellen hoe de naoorlogse poëzie eruit zou hebben gezien zonder de gedichten van Tadeusz Rózewicz', schreef zij. `We zijn hem allemaal schatplichtig, al zal niet iedereen van ons dat durven te erkennen.'

Tadeusz Rózewicz: De rest is zwijgen. Een keuze uit de gedichten 1946–2002. Geselecteerd, uit het Pools vertaald en van een nawoord voorzien door Karol Lesman. De Geus. 158 blz. €22,50