De ruggengraat van het Afrikaans

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Wie is er aan de beurt? Ons derde voorstel: Wilma Stockenström

Leg het maar eens uit. Als er wat uit valt te leggen. Wie goed kijkt ziet het zelf ook wel. Ik zeg niet veel, maar ik zeg dit:

,,matelose/ hartseer onder die blou van onse hemel''.

En als dat nog niet genoeg is, dan zeg ik ook:

,,Gestel bome kon eenbeentjie stembus toe spring''.

En voor wie het dan nog niet wil horen zeg ik:

,,Somer heet die seremonie wat afloop''

Maar wat baat het. Regels zijn maar regels, regels winnen geen prijzen. De prijs zou moeten komen voor de stem en de toon, voor de durf en de klank, voor de brutaliteit in bescheiden verzen, voor de moed om zichzelf te kijk te zetten en voor de aardigheid betoond aan een oud vrachtschip (`diensmeisie van die see'). De prijs zou moeten zijn voor Wilma Stockenström en haar lenige taal, haar grappige geest, haar kleurige poëzie.

Lees nu eens die bloemlezing die Erik Menkveld drie jaar geleden maakte uit honderd jaar Nobelprijs-poëzie. Dan zie je meteen dat zij daar ontbreekt. Want zij is de synthese van Odyseas Elytis met zijn zeegedichten, Milosz met zijn wijsheid, Szymborska met haar humor, Jaroslav Seifert met zijn bescheidenheid en verder is ze dan ook nog een keer zichzelf, wat zeker niet haar geringste eigenschap is.

En wie is ze dan wel?

Wilma Stockenström. Geboren in 1933. Afrikaanstalig in Zuid-Afrika, land van de vele talen. Een verlegen muis die in een televisiedrama speelt en zich als een vis in het water voelt op een podium. Auteur van de door J.M. Coetzee in het Engels vertaalde novelle Die kremetart ekspedisie. Een vrouw die zich verschuilt achter een reusachtige bril, en dan een gedicht schrijft `Dwaas met bril': ,,Maar waar ik ook kijk, overal is dat mens.'' Een dichter die gemeen lacht om de mens en warme gevoelens heeft voor rotsen, die zeven dichtbundels schreef en van wie we op meer hopen, die de ruggengraat is van het Afrikaans en door haar mededichters bewonderd wordt, die op niemand lijkt en misschien zelfs niet op zichzelf.

Is het nodig dat een Nobelprijskandidaat door beroemde(re) collega's geprezen wordt? Kan geen kwaad natuurlijk, ik noemde niet voor niets J.M. Coetzee al. En dat zo iemand met klinkende namen uit het verleden in verband gebracht wordt, laten we zeggen Rilke, Homerus, Mallarmé of Brodsky? In geval van een vrouw wordt men trouwens meestal met andere vrouwen vergeleken, dus dan komt meteen Szymborska om de hoek kijken. Nu is er niets tegen Szymborska, er is zelfs alles vóór Szymborska, maar waarom elke vrouwelijk dichter op haar zou moeten lijken is ook weer niet duidelijk. Stockenström heeft trouwens wel wat van Szymborska. Dat is al vaak opgemerkt.

Spandoek

Het zou natuurlijk ook helpen als ze heel politiek was, zoals haar landgenote Antjie Krog, heel geëngageerd en altijd al tegen apartheid vooral ook nu, als ze ergens voor gestreden had. Maar ze heeft niet gestreden. Al heeft ze heus wel haar opinies, een spandoek is daar moeilijk van te maken.

Een dichter is, het kan niet anders, verbonden met en afhankelijk van taal. Stockenström is dat ook. Tegelijkertijd wantrouwt ze de taal, zoals het een dichter betaamt. Ze gelooft niet zo erg in het wonder van het woord, ze lijkt eerder te denken dat het woord maar één van de vele dingen is die iets uitdrukken. Ze noemt duiven `brieven van veer en snavel'. In een gedicht over een gevangen vis zegt ze van het gedicht dat het de sleutel is ,,tot een taal van zwiepende tekens en de bekoring van stilte'', de taal van de vis dus. Maar die krijgen wij, lachwekkende mensen, toch niet te horen. Ondanks die vaste overtuiging dat het met taal maar behelpen is, behelpt ze zich volop. ,,Vaal en koraal de fijne draadjes van de steurgarnaal'', schrijft ze in een gedicht dat de grilligheid en de `liederlijke wulpsheid' van schelpdieren bezingt. En als ze dan zo'n heerlijk klinkende regel heeft opgeschreven vraagt ze meteen: ,,Te mooiskrywerig?'' En vervolgt: ,,Nou goed dan/ die krap se kubistiese plat verspotheid'' (`belachelijkheid', vertaalt Robert Dorsman, die overigens ongelooflijk goed werk doet als openlegger van de Afrikaanse literatuur.)

Soms gaat het wel over Afrika in haar gedichten, dat wil zeggen het Afrika zoals wij buitenstaanders het zien. Verkrachte baby's. Bloed, oorlog, onderdrukking. ,,Kinderen, als vodden vast gewaaid tegen de omheining;/ zodat toeristen op de grote weg omkijken en zeggen:/ typisch, typisch Afrika.'' Ze schreef ook het gedicht `Afrikaliefde' waarin ze zich verbeeldt een eiland te zijn dat langzaamaan de Afrikaanse kust nadert: ,,Hoe lang nog voordat ik mij met jouw brede/acajouboombossen verenig, voordat we in elkaar passen,/ jouw met riet begroeide arm om mij heen,/ jouw bruine lichaam mijn lichaam?'' Daarin kun je de ingewikkelde verstandhouding van de witte Afrikanen met hun zwarte continent zien. Het is nog steeds niet gewoon. Veel van haar gedichten zouden trouwens best `Afrikaliefde' kunnen heten, ze is dolverliefd op de rotsen en oceanen, op de bergen, het gegorgel van zilte poeltjes aan de Kaap, op de `bloekombomen' en op de wind over de vlaktes. Maar ze weet ook wel beter. ,,Intussen juichen we over zonsondergangen en zeeën,/ schakelen straalkacheltjes aan, rijden door knipperende straten/ vredig.''

Wantrouwen

Ja, Wilma Stockenström is een dichter en niet zo maar eentje. Dat betekent trouwens helemaal niet dat ze zelf het scheppen van iets uit niets een hele prestatie vindt. Integendeel. Ze schrijft ijskoud dat scheppers gewantrouwd moeten worden, ,,want eintlik/ is die skepper een bejammerenswaardige, brose teef/ wat leer skryf het met lei en griffie in die handjie,/ oor en oor dieselfde voornaamwoord: ek ek ek./ Oor en oor ek ek ek oor en oor ek ek ek''

Ze is weer eens erg streng, want je zou dat misschien van veel dichters kunnen zeggen, van haar eigenlijk niet. Natuurlijk schrijft ze wel eens `ik', maar het is beslist niet zo dat ze overdreven aandacht voor haar eigen persoon opeist. Zij lijkt zelf iets heel anders te scheppen dan een beeld van `ek', ze is meer zoals de schepper uit haar gedicht `Skeppend' die verrukt de schepping op zijn hand houdt `zoals een kind een vlinder'. De schepper is onder de indruk en daarom bedenkt hij er, `trots en nederig' nog eentje, ,,nog zo'n lieflijke lichtzinnige vlinder''. Je denkt dat je over een vlinder leest en dan pas merk je dat er stond 'zoals een kind een vlinder' en dat de schepper dus nog steeds de schepping op zijn hand heeft als hij besluit er nog zo eentje te maken. Zijn wij zomaar een aardig gelukte eersteling van een schepper die lekker is doorgegaan met mooie dingen maken? Op zulke vragen geeft ze natuurlijk geen antwoord. Voor de bijziende lezer heet een bundel van haar, en ook de titel van de in het Nederlands vertaalde keuze uit haar werk heet zo. Kippig staart de lezer naar de tekst.

Dus waar gaat het eigenlijk over. Over taal. Over Afrika. Over dichten. Over alles, in de vorm van bomen, stenen, vlinders, golven, drenkelingen, vissen, weggewaaide plastic zakken, allerlei insecten, over een Europese toerist op zoek naar een oord ,,waar hij zijn brein kan uitschakelen'', over stadslichten, honden en huurlingen, over toneelspelers en brillen. En dus over ons, over de wereld, over alle taal, elke tijd, elke plek.

Wie kan beschrijven hoe een vrachtschip ligt te kroelen als ze bevrucht wordt door een hijskraan, die mag toch zeker wel de Nobelprijs krijgen?

En niet alleen daarom. Ook vanwege dit:

Ik kan me een absoluut betrouwbare

fysiologische hartklep

veroorloven gemaakt van polypropyleen,

maar het liefst leef ik met horten en met

stoten,

afwijkend stug, totdat de harde regen

die huise van die laatste eeu smelt,

totdat taal in al sy uitinge verval.

As mens, tot pyn in staat, wil ek leef,

die uiterste mens, gesertifiseer mal.

Meer zeg ik er niet over. Zoek het maar uit daar in Zweden.

Eerdere afleveringen van deze serie staan op www.nrc.nl