De burger binnenstebuiten

Theodor W. Adorno was socioloog, musicoloog en componist. Bovenal was hij filosoof en een van de eersten die het belang van de populaire cultuur onderkenden. Maar jazz deed hem aan fascisme denken. Honderd jaar na de geboorte van het boegbeeld van de Frankfurter Schule is zijn kritiek op de Verlichting actueler dan ooit.

Het is ironisch – zo noteert Theodor W. Adorno in de vroege jaren veertig in zijn aantekenboek – dat anti-burgerlijke intellectuelen zich uiteindelijk gedwongen zien de ruïnes van het burgerdom tegen de laatburgerlijke vijanden daarvan te verdedigen. Zijn gedachten gaan op dat moment niet naar de nationaal-socialisten die hem tien jaar eerder uit Duitsland hebben doen vluchten. Hij denkt aan de massacultuur van de Verenigde Staten, waar hij sinds 1938 in ballingschap woont en zich, ondanks comfortabele omstandigheden, nooit helemaal thuis is gaan voelen. Hij weet: de oude Bildung is verdwenen en de Kultur heeft zich als kleingeestigheid ontpopt. Maar iets mist hij: de brede oriëntatie en vooruitziende blik van de Bildungsbürger op zijn best.

Adorno (1903-1969) zal die aantekening later opnemen in zijn aforismenbundel Minima Moralia, die in 1951 verschijnt. Hij wordt er in één klap beroemd mee, als denker die het intellectuele vacuüm kan vullen dat is overgebleven na de kaalslag van het nationaal-socialisme. Honderdduizend exemplaren zal het boek uiteindelijk verkopen, nog afgezien van de vertalingen. Vanaf dat ogenblik is Adorno in Duitsland niet meer uit de openbaarheid weg te denken. Hij wordt het kritische geweten dat het land de nieren proeft op zijn verborgen autoriteitsgeloof en ressentiment, en herinnert aan zijn maatschappelijke en politieke opdracht.

Samen met Max Horkheimer en als diens opvolger aan het hoofd van het Institut für Sozialforschung – is Adorno het boegbeeld geworden van een kritische sociologie die in de jaren zestig de Frankfurter Schule ging heten. Hij was de geestelijke mentor van een studentengeneratie die hem aan de uiterste linkerzijde inhaalde en hem geschoffeerd en verbitterd achterliet. In de zomer van 1969, op het hoogtepunt van de maatschappelijke polarisatie, stierf hij. Gisteren zou hij honderd jaar geworden zijn.

Dat jubileum is in Duitsland aanleiding geweest voor een kleine hausse aan Adorno-biografieën. Bij Fischer Verlag verscheen Theodor W. Adorno: Ein letztes Genie van de publicist en hoogleraar maatschappijtheorie Detlev Claussen, bij de Deutsche Verlags-Anstalt (DVA) Adorno: Eine politische Biographie van de journalist Lorenz Jäger. De omvangrijkste biografie, die eenvoudigweg Adorno heet en werd geschreven door de socioloog Stefan Müller-Doohm, verscheen bij Suhrkamp, Adorno's huisuitgeverij, en geldt daarom als de meest `officiële' van de drie.

Aan Müller-Doohms grondigheid heeft het niet gelegen. Stap voor stap volgt hij Adorno op zijn onorthodoxe weg als filosoof, socioloog, musicoloog en componist. Honderdtachtig bladzijden noten schragen zijn even precieze als heldere analyses van alle belangrijke publicaties van de man wiens typemachine – aldus Müller-Doohm – vrijwel nooit lijkt te hebben stilgestaan. Zijn correspondentie, die vooral tijdens zijn ballingschap van onschatbare betekenis voor hem was, boekstaaft de intellectuele discussies met Walter Benjamin, Max Horkheimer, Herbert Marcuse, Siegfried Kracauer, Alban Berg en Thomas Mann. Ze onthult, naast intellectuele opwinding en inspiratie, heel wat botheid en kinnesinne. De debatten werden niet alleen gevoerd op het scherp van de snede, maar ook in een harde ellebogenstrijd om voorrang en succes. `De relaties tussen verstotenen', verzuchtte Adorno in Amerika, `zijn nog meer vergiftigd dan die tussen ingezetenen.'

Toch was de ervaring van ontheemdheid en het besef tussen twee stoelen te vallen wellicht de voornaamste noemer van Adorno's leven, zo schrijft Müller-Doohm. Geboren uit een joodse vader en Italiaanse moeder, die vanuit Frankfurt naar Londen hadden moeten gaan om te kunnen trouwen, was het hybridische hem in zekere zin in het bloed meegegeven. Als enige telg van de bemiddelde wijnhandelaar Wiesengrund en de armlastige zangeres Calvelli-Adorno kreeg hij bij zijn doop op aandrang van zijn moeder beide achternamen mee, hoe fantasievol die laatste ook was.

Grootvader Calvelli, die als Corsicaans oud-militair met schermlessen de kost verdiende, had die tweede naam (letterlijk `opsmuk') aan de eerste vastgeplakt om bij zijn aristocratische klanten een gedistingeerdere indruk te maken. `Adorno' was tenslotte de achternaam die zijn kleinzoon zou behouden, toen hij in 1943 het Amerikaanse staatsburgerschap verkreeg. Niet om zijn joodse afkomst te verloochenen, zoals zijn vriend Soma Morgenstern hem verweet, maar – zo vermoedt Müller-Doohm – uit een al even snobistische hang naar alles wat adellijk was of alleen maar zo klonk.

Inderdaad moet de jonge Wiesengrund-Adorno, zoals hij tot aan de Tweede Wereldoorlog zou heten, het pompeuze niet vreemd zijn geweest. Als student weigerde hij een polshorloge te dragen om met een bestudeerd gebaar zijn Repetieruhr uit het vestzakje te kunnen trekken. En in Oxford, zijn eerste ballingsoord in de jaren dertig, werd hij volgens de filosoof Alfred Ayer om zijn dandy-achtige voorkomen regelmatig bespot.

Een mengsel van arrogantie en hang naar erkenning maakte de omgang met Adorno ook voor zijn vrienden niet eenvoudig, maar gerechtvaardigd waren zijn gevoelens van eigenwaarde wél. Op zijn twintigste afgestudeerd in de filosofie, al snel befaamd als een eigenzinnig muziekrecensent en door Alban Berg – bij wie hij in Wenen compositieleer ging studeren – onderkend als veelbelovend componist, leek de toekomst hem meer kansen te bieden dan hij kon aangrijpen. Jarenlang aarzelde hij tussen een muzikale en een filosofische carrière. Pas in 1931 leverde hij zijn Habilitationsschrift af en werd hij aan de universiteit van Frankfurt benoemd tot privaatdocent filosofie.

Al twee jaar later werd hij, net als alle andere joodse docenten, door de nazi's van de universiteit uitgesloten. Hoewel hij aanvankelijk niet verwachtte dat hun regime het lang zou uithouden, week hij uit naar Engeland, waar hij hoopte snel een aanstelling te krijgen. Het werd een diepe teleurstelling. Gedoctoreerd, gehabiliteerd en met een indrukwekkende lijst publicaties op zijn naam, vond Oxford hem net goed genoeg voor een status als advanced student.

Opnieuw begon hij aan een proefschrift, onder tutorschap van de toen nog onbekende Gilbert Ryle. Hij houdt het drie jaar vol, waarin hij, tot ontzetting van zijn vrienden, regelmatig naar Duitsland terugreist om in Berlijn Gretel Karplus te bezoeken, met wie hij al ruim tien jaar een verhouding heeft. Wanneer ook voor deze onafhankelijke joodse zakenvrouw de situatie nijpend wordt, neemt hij haar in 1937 mee naar Engeland. Zij trouwen in Londen, waar ook zijn ouders en grootouders waren getrouwd, en Gretel wijdt zich aan het huishouden. Haar liefde moet groot en robuust zijn geweest, want Adorno liet zich tot aan zijn dood toe door vele vrouwen het hoofd op hol brengen en hield zijn affaires niet voor haar verborgen.

Nauwelijks een maand later krijgt Adorno een betrekking in New York aangeboden. De universiteit van Princeton begint een onderzoeksproject naar de invloed van radio-muziekuitzendingen op de luisteraars en werkt daarbij samen met het naar Amerika uitgeweken Institut für Sozialforschung waarover Max Horkheimer de leiding heeft. In Frankfurt heeft Adorno al samengewerkt met dit baanbrekende instituut, dat vanuit een onorthodoxe marxistische achtergrond sociale filosofie met sociologisch veldonderzoek probeert te verbinden. Bovendien heeft hij een aantal studies op zijn naam over de sociale functie van de populaire muziek, èn is hij innig bevriend met Horkheimer, die getuige was bij zijn huwelijk.

Het werk aan het project wordt een fiasco. Adorno mag dan een van de eerste cultuurfilosofen zijn geweest die de populaire cultuur serieus namen, een gunstig oordeel daarover had hij daarom nog niet. Populaire muziek, Schlagers en operette, maken de geest niet vrij, maar verzoenen hem alleen met de bestaande verhoudingen, meent hij. Met de jazz is het nog erger. Ze biedt de schijn van vrijheid om zich dan toch aan `de wet' te onderwerpen; daarin komt ze het ideaal van het fascisme nabij. Menig jazzliefhebber wist niet wat hij hoorde, maar Adorno was stellig: de syncope in de jazz is de uitdrukking van een prematuur orgasme, veroorzaakt door een heimelijke angst voor impotentie.

Hoe bizar dat ook mag klinken, het conflict tussen Adorno en de leiding van het Amerikaanse onderzoeksproject draaide wel degelijk om een belangrijk probleem. Wie de respons van het publiek op bepaalde signalen onderzoekt, moet zich ook afvragen of die respons wel met de feiten klopt, meende Adorno. Anders staat het hele onderzoek op losse schroeven en weet men wel wat er door de respondenten wordt gezegd, maar niet wat dat betekent. Ieder sociologisch onderzoek moet dus worden ingebed in een theorie over de samenleving, want pas daarin krijgen de onderzoeksresultaten relevantie.

Daarmee was de kiem gelegd voor een controverse tussen twee wetenschapsopvattingen, die in de jaren zestig zou uitmonden in een hardnekkige `positivisme-strijd'. Sociologen die zich lieten leiden door de methoden van de `waardevrije' natuurwetenschap stonden daarin tegenover aanhangers van een `kritische theorie' die meenden dat de sociale werkelijkheid daarmee gereduceerd werd tot een botte wetmatigheid, ten gunste van de status quo.

Volgens Adorno dienden de menswetenschappen emancipatoir te zijn en zich te verzetten tegen een maatschappijmodel waaruit iedere waarde werd geweerd. Zo niet, dan zou alleen het soepele functioneren van het maatschappelijk bestel er nog toe doen, ongeacht de vraag naar goed en kwaad, vrijheid en verantwoordelijkheid. Zo'n wereld, meende hij, zou door en door rationeel zijn, maar intussen de echte rede om zeep hebben gebracht. Een dergelijke, eenzijdig doorgeschoten Aufklärung werd volgens hem zichtbaar in de gruwelen van de twintigste eeuw.

Opmerkelijk genoeg kwam Adorno daarmee dicht in de buurt van de cultuurkritiek van Martin Heidegger, die hij in zijn boek Jargon der Eigentlichkeit (1964) vanwege diens even apodictische als duistere taal striemend zou bekritiseren. Adorno wenste wel aan de Verlichting vast te houden, maar wees erop dat zij door een te enge opvatting van redelijkheid in haar tegendeel kon omslaan. Dialectiek van de Verlichting heette dan ook de studie die hij samen met Horkheimer schreef en die in 1947 bij de uitgeverij Querido in Amsterdam verscheen.

Adorno's ongelukkige ervaringen met het radio-onderzoek betekenden niet het einde van zijn sociologische werk. Dankzij forse financiële steun van het American Jewish Committee kon hij, samen met Horkheimer, een groot sociaal-psychologisch onderzoek naar de wortels van het antisemitisme uitvoeren, dat uitmondde in een klassiek geworden studie over de autoritaire persoonlijkheid. Wat eerst niet lukte – de samenvoeging van kwantitatief onderzoek en `kwalitatieve' theorie – lukte nu zo goed dat deze research het model werd waarmee het Institut für Sozialforschung na de oorlog de Duitse politieke sentimenten in kaart probeerde te brengen.

Bemoedigend waren de uitkomsten van al die peilingen, interviews en groepsgesprekken niet. En in zijn verzet tegen de reactionaire hang van de Duitse samenleving ontpopte Adorno zich, na de terugkeer naar zijn vaderland, steeds meer tot de kritisch-oppositionele intellectueel die hij in Minima Moralia al beschreven had. Het nieuw gestichte Institut, waarvan hij na Horkheimers emeritaat directeur werd, speelde daarbij een centrale rol en bood ruimte aan jonge onderzoekers, van wie Jürgen Habermas de bekendste zou worden. Moest hij zich in de anticommunistische jaren vijftig hoeden voor iedere verdenking van sympathie voor het sovjetsysteem, in de jaren zestig eisten geëngageerde studenten met steeds grotere aandrang een actieve politieke rol van de universitaire instellingen en hun hoogleraren.

Die eis stond haaks op Adorno's wetenschappelijke overtuigingen en op zijn eigen program. Temidden van de beginnende studentencontestatie publiceerde hij zijn meest abstracte boek, dat hij zelf bijna `metafysisch' noemde. Negatieve dialectiek was een lange meditatie over datgene wat zich aan alle begrippen onttrekt. Het denken wil de werkelijkheid ordenen en grijpen, aldus Adorno, maar als het dat te gretig doet, raakt het de werkelijkheid juist kwijt. Het springt van het ding meteen naar het concept en raakt zo het unieke van dit verschijnsel of object, hier-en-nu, kwijt.

Dat was, op de keper beschouwd, hetzelfde als wat hij vanaf de jaren veertig had ingebracht tegen een té positivistische sociologie die de werkelijkheid reduceert tot een reeks cijfers en statistieken. In Negatieve dialectiek omschreef hij die ervaring van het `begripsloze' als het belangrijkste wat de filosofie kan aanwijzen om de cultuur van onmenselijkheid te redden. De kunst, meende hij, heeft daarbij een bijzondere taak. Zij is het die het begripsloze laat zien of in de muziek laat horen.

En welke kunst dat kon, stond bij hem nog net zo buiten kijf als in de vooroorlogse jaren. Dat was niet de populaire kunst en muziek die het bestel alleen maar bevestigen, maar de avantgarde die de luisteraar uitdaagt en de componist zijn volste vrijheid verleent. De twaalftoonsmuziek van Alban Berg en vooral van Arnold Schönberg, die hij in 1949 in zijn boek Filosofie van de nieuwe muziek hartstochelijk had verdedigd, stond daarvoor nog steeds model.

Dat was de contesterende studenten veel te etherisch en in een recensie van Negatieve dialectiek verweet Herbert Marcuse, de ongekroonde ideoloog van het studentenprotest, Adorno net zo'n duister jargon te hanteren als de door hem bekritiseerde Heidegger. Voor de radicalere studenten had Adorno, die niets voelde voor hun eis dat de wetenschap in dienst moest staan van politiek activisme, afgedaan. Zijn lessen werden verstoord en op een roerig college in april 1969 werd hij in stalinistische stijl geprest tot een publieke oefening van zelfkritiek. Nadat een drietal meisjes hem had omsingeld, met bloemblaadjes had overstrooid en tenslotte uitdagend hun borsten voor hem hadden ontbloot, vluchtte hij, zich beschermend met zijn aktentas, de collegezaal uit.

Het moet een schokkende ervaring geweest zijn voor een man die jegens vrouwen gewoon was aan hoogburgerlijke omgangsvormen, compleet met handkus. Toen een hervatting van zijn colleges ook enkele weken later nog onmogelijk bleek, zocht hij rust in de Zwitserse Alpen. Chronisch overwerkt en sinds lang lijdend aan een hartkwaal, overvroeg hij zijn eigen lichaam. Na een infarct overleed hij, luttele weken voor zijn zesenzestigste verjaardag.

Te vroeg gestorven, leek hij zonder opvolger en misschien zelfs zonder nawerking te zijn gebleven. Maar zijn bedenkingen bij een sociologie die louter kwantitatief wil zijn en het zonder een maatschappijtheorie meent te kunnen stellen, gelden nog altijd. Zonder hem zou het onderzoek naar de populaire cultuur niet geweest zijn wat het nu is, ook al hoeft men zijn waardeoordelen niet te omarmen. Zijn kritiek op een al te onbekommerd omarmde Verlichting is actueler dan ooit.

Maar het interessantst is hij gebleven als de figuur die hij was: een Bildungsbürger die de kritiek van de burgerij tot zijn roeping maakte. Juist daarin was hij, ironisch genoeg, op en top bourgeois. Denken tegen de burgerij is sinds jaar en dag een hebbelijkheid van de burgerlijke traditie zelf. Alleen wie diep in haar is ondergedompeld, kan het zich veroorloven haar waarden te relativeren zonder vervolgens met lege handen te staan. Alleen wie de traditie van de klassieke muziek kent, kan de twaalftoonstechniek begrijpen en daarin een bevrijding zien.

Om diezelfde reden moest hij wel een paradoxale figuur zijn: als intellectueel `de laatste vijand van de burger en tegelijk de laatste burger zelf', zoals hij in Minima Moralia optekende. Zelfs zijn hooggestemde, culturele ascetisme verzachtte zich wanneer hij, aldus Müller-Doohm, ten tijde van de heftigste studentenonlusten 's avonds ontspanning zocht bij de televisie, die hij intellectueel niet hoogachtte. Zijn favoriete programma was de populaire dokter-in-Afrika-soap Daktari.

Stefan Müller-Doohm: Adorno. Eine Biographie. Suhrkamp Verlag, 1032 blz. tot 1 jan. €29,90, daarna €36,90