Vervroegd stoppen met werk heel populair

Ruim voor je pensioen stoppen met werken is een recht waaraan Nederlanders zeer gehecht zijn geraakt. Slechts zes procent van de bevolking wil tot 65 jaar doorgaan met werken. Een aanzienlijk lagere uitkering in de periode voor het pensioen stimuleert vooral arme mannen om langer door te werken. Rijkere mannen en ook vrouwen willen met een lagere uitkering vervroegd uittreden.

Dit blijkt uit het vandaag verschenen rapport Bevolkingsvraagstukken in Nederland anno 2003 van het Werkverband Periodieke Rapportages Bevolkingsvraagstukken. In dit werkverband participeren NIDI, SCP, CPB, RPB en CBS. In de rapportages van het werkverband worden demografische ontwikkelingen gepresenteerd in de context van actuele beleidsvragen. De publicatie van vandaag gaat uitvoerig in op vervroegd uittreden en op het zogeheten spitsuurgezin, waarin carrière, huishouden, zorg voor kinderen en soms ook nog zorg voor ouders samenkomen.

Vorige week lekten kabinetsplannen uit om vervroegd uittreden te bestrijden door middel van een voorheffing van inkomstenbelasting over de totale uitkering van enkele jaren. Het kabinet wil mensen langer laten doorwerken om de kosten van de vergrijzing te drukken.

In 2000 werkten van de mannen tussen 60 en 65 jaar nog 25 procent. Van de vrouwen was dit 8 procent. Van de 55 tot 60-jarige mannen werkte nog 70 procent, van de vrouwen 32 procent. Deze arbeidsdeelname van ouderen komt overigens ongeveer overeen met het Europese gemiddelde. De snelle daling van de arbeidsdeelname boven 55 jaar komt door VUT, pre-pensioen, WAO en ontslagregelingen. Op dit moment is de gemiddelde VUT-leeftijd 60,3 jaar.

Omdat de VUT wordt betaald door werkende collega's, dreigt deze met een toenemend aantal ouderen onbetaalbaar te worden. Daarom wordt in veel cao's de vut omgezet in pre-pensioen. Het geld voor een pre-pensioen sparen mensen zelf in de loop van hun carrière. De meeste pre-pensioenregelingen zijn minder ruimhartig dan de oude VUT-regelingen. Zo bedraagt de gemiddelde pre-pensioenleeftijd in een steekproef van CAO's die de Arbeidsinspectie heeft onderzocht op 61,2. Ook de uitkeringen liggen iets lager: 72,1 procent voor het pre-pensioen, tegen 78,9 procent voor de VUT. Het totaal aantal mensen dat gebruik maakt van VUT of pre-pensioen stijgt sinds 1997 onafgebroken.

Uit enquêtes van demografisch instituut NIDI onder oudere werknemers blijkt dat meer dan zestig procent tussen 60 en 62 jaar wil stoppen met werken, 28 procent wil zelfs al eerder stoppen. Uit onderzoek onder gepensioneerden blijkt bovendien dat van degenen die voor hun pensioen zeiden tot hun 65ste te willen doorwerken slechts een kwart dit ook echt heeft gedaan. Mensen stoppen vaker eerder dan ze van plan waren, dan later.

Een lagere uitkering heeft weinig effect zo lang die boven de zeventig procent van het laatst verdiende loon blijft. Daaronder neemt de bereidheid om door te werken toe. Dit geldt echter veel minder voor vrouwen, en ook niet voor mensen met eigen vermogen. Tweederde van degenen met een eigen vermogen van 225.000 euro zou ook stoppen als de uitkering veel lager is. Van degenen met een vermogen van minder dan 45.000 euro zegt minder dan de helft te willen stoppen bij een uitkering onder de zeventig procent.

Een bonus betalen voor wie langer doorwerkt, heeft nauwelijks effect: indien men een half jaarsalaris belastingvrij extra zou krijgen bij doorwerken tot 67 jaar zou slechts twee tot vijf procent van de ondervraagde werknemers van dit aanbod gebruikmaken.

Geld is niet de enige factor in de beslissing om al dan niet door te werken. Gezondheid speelt een rol: minder gezonden zijn eerder geneigd te stoppen. De werksituatie zelf is ook van belang, met name de waardering door de direct leidinggevende.

Eenderde van ondervraagde ex-werknemers zegt bereid te zijn geweest een jaar langer door te werken indien de leidinggevende daarom had gevraagd. De houding van leidinggevenden is echter moeilijk vanuit de politiek te beïnvloeden.

Beleidsmatig worden vutters en gepensioneerden gezien als een belangrijk potentieel voor vrijwilligerswerk en mantelzorg. Zelf zien de betrokkenen dit niet zo. Veertig procent van de recent uitgetreden werknemers zegt vrijwilligerswerk juist onbelangrijker te vinden dan toen ze nog werkten; voor een kwart is het belangrijker geworden.