Twee jaar later

Twee jaar is kort om het terrorisme succesvol te bestrijden, de wereld veiliger te maken en het Midden-Oosten te pacificeren en te democratiseren. Twee jaar oorlog voeren, in woord en daad, om deze doelen te bereiken is lang. Verwachtingen zijn nu eenmaal snel gewekt en het geduld van het publiek met politici die hun woord niet houden is beperkt. Twee jaar na 11 september 2001 luidt de conclusie dat de door de VS gewekte hoop niet is waargemaakt. Het terrorisme is virulenter dan ooit; de wereld is er niet veiliger op geworden en het Midden-Oosten is gepacificeerd noch gedemocratiseerd. Belofte maakt schuld, zeker beloftes die zo ver gaan en in zulke grootse woorden zijn gesteld. Misschien is dat wel het ergerlijkste aan de huidige Amerikaanse regering: de retoriek over hetgeen ze bereiken wil, de grandiositeit van de plannen. De praktijk is altijd weerbarstiger dan de woorden en het papier – zelfs voor een hypermacht. Als de aanpak tegenvalt valt het contrast met de woordenpracht des te sterker op. Bescheidenheid is een jas die Amerika slecht past, maar iets meer terughoudendheid in het verleden zou Washington nu goed van pas zijn gekomen.

Het krediet van de Verenigde Staten en van president George W. Bush leek na de aanslagen van 11 september 2001 oneindig groot. Wereldwijd was de sympathie aan de kant van de getroffen Amerikanen. Veel van die goodwill is verspeeld door de manier waarop de VS inzake Irak de wereld hun wil oplegden, door de onvermijdelijke confrontatie met landen die zich door Washington niet lieten sturen en door het Amerikaanse broddelwerk in naoorlogs Irak. Dat laatste is Bush' grootste politieke probleem. Twee jaar na 11 september 2001, toen hij een tweede termijn als president al haast in zijn zak leek te hebben, is zijn herverkiezing helemaal niet zo zeker meer. De publieke opinie en de politieke tegenstanders van Bush, eerst nauwelijks hoorbaar, laten steeds duidelijker hun afkeuring blijken van de guerrilla die de VS in Irak hebben ontketend.

Bush ging slecht geadviseerd ten oorlog, schreef Stephen Walt, hoofd van de Kennedy School of Government aan de universiteit van Harvard, onlangs in de Financial Times. Daarom moet de president zich ontdoen van enkele van zijn belangrijkste adviseurs en een nieuw team samenstellen met een verse kijk op de zaak. Rumsfeld, Rice, Wolfowitz: de aanhangers van de harde lijn mogen van Walt vertrekken. Zo'n ingreep zou van paniek getuigen, en is alleen al om die reden ongewenst. Maar de woorden van Walt snijden wel hout. Want wat zijn argumenten en adviezen van zulke hoge regeringsfunctionarissen waard als ze tot zo'n puinhoop leiden?

11 september is allereerst een moment van herdenking voor de Amerikanen en iedereen die zich betrokken voelt bij de verschrikkingen van die inktzwarte dinsdag. Maar `9/11' zou de Amerikaanse regering ook aan het denken moeten zetten. Over de vraag waarom twee gewonnen oorlogen niet maximaal kunnen worden verzilverd in achtenswaardigheid en populariteit, uit en thuis. En over het waarom van het wereldwijd toenemend anti-Amerikanisme onder moslims én niet-moslims. In de tussentijd zit er niets anders op dan de feiten te accepteren en de Amerikanen waar mogelijk de helpende hand te bieden. Het was geen pretje om de VS unilateraal ten oorlog te zien trekken. Maar het is nog veel onprettiger om ze in Irak en het Midden-Oosten steeds dieper het moeras te zien inzakken. De gevolgen van een eenzijdig Amerikaans falen daar zijn nauwelijks te overzien en kunnen maar beter worden vermeden.