Rampzalig vervolg van einde misdadig regime

Amerika dacht te gemakkelijk over zijn rol als bezetter in Irak, maar dat mag er niet toe leiden dat de critici van het ingrijpen tegen Saddam nu blijven toekijken, vindt Max van der Stoel.

De permanente crisis waarin het na-oorlogse Irak nu verkeert, heeft bijna doen vergeten hoe succesvol het verloop was van de militaire operaties tegen het regime van Saddam. Het aantal doden onder de troepen van de coalitie was gering; het aantal slachtoffers onder de burgerbevolking, hoewel aanzienlijk, veel minder dan was gevreesd. Grote vluchtelingenstromen bleven uit en de olie-installaties vielen nagenoeg onbeschadigd in de handen van de coalitie. Een misdadig regime, dat verschillende malen agressie had gepleegd en tienduizenden van de eigen burgers om het leven bracht, kwam ten einde.

Wat daarop volgde, was echter rampzalig. De Amerikaanse voorbereidingen op de rol als tijdelijke bezettingsmacht schoten volledig tekort. Washington verwachtte dat de Amerikanen als bevrijders zouden worden verwelkomd en dat daarom op een positieve relatie met de bevolking zou kunnen worden gerekend.

Ongetwijfeld hebben miljoenen Irakezen de val van Saddam als bevrijding ervaren. Maar Washington zag over het hoofd dat vooral de shi'ieten – die 60 procent van de bevolking van Irak uitmaken – de Amerikaanse weigering na het einde van de vorige Golfoorlog om hun steun te verlenen in de aanvankelijk door Washington aangewakkerde opstand tegen Saddam als verraad hebben ervaren. De vergeldingsacties die toen volgden hebben vele duizenden shi'ieten het leven gekost. De Amerikaanse bezetters wordt bovendien aangerekend dat zij de eerste dagen na de bezetting van Bagdad vrijwel niets hebben ondernomen om de plundering van vitale objecten te voorkomen.

Sinds de bezetting van Irak is geen enkel overtuigend bewijs gevonden dat Saddam over massavernietigingswapens zou hebben beschikt. Het is echter een te grote gedachtensprong enkel op grond van dit feit te concluderen dat Saddam deze wapens niet of niet meer bezat.

De discussie over deze kwestie wordt echter, zeker binnen Irak, volledig overschaduwd door de ernstige crisis waarin het land nu verkeert. De bezettingsautoriteiten hebben niet alleen te kampen met de guerrilla-activiteiten van fanatieke aanhangers van Saddam; zij worden ook geconfronteerd met het feit dat het huidige Irak als een magneet werkt op islamitische extremisten uit andere landen van de Arabische wereld. Washington heeft vóór de oorlog vaak de verdenking geuit dat Saddam en de islamitische extremisten elkaar zouden vinden. Het curieuze feit doet zich nu voor dat na de militaire nederlaag van Saddam deze coalitie een feit is geworden.

Saddam blijft overigens een factor van betekenis in het na-oorlogse Irak. Zolang hij niet is gedood of gevangen genomen, blijft menigeen, zeker onder zijn oude sunnitische aanhang, geloven dat hij ten slotte weer de macht in handen zal krijgen.

Terwijl in de buitenwereld de terreuraanslagen de meeste aandacht krijgen, speelt voor vele Irakezen de schrikbarend gegroeide misdadigheid een veel grotere rol. De Amerikanen krijgen hiervan de schuld, en worden bovendien verantwoordelijk geacht voor de nog steeds voortdurende problemen bij de elektriciteits- en watervoorziening.

De Amerikaanse vertegenwoordiger in Irak, Bremer, is ongetwijfeld een man met vele bestuurstalenten. Hij is oprecht wanneer hij verklaart dat de VS zo snel mogelijk willen komen tot vrije verkiezingen en overdracht van het gezag aan een nieuwe democratische regering. Maar hij staat voor een bijna bovenmenselijke taak.

Eén van de grote problemen is hoe geschikte mensen te vinden om een nieuw Irak op te bouwen. Decennia van terreur hebben op massale schaal slachtoffers gemaakt onder hen die daarvoor de capaciteiten hadden. Alleen in het Koerdische deel van Irak, dat sinds de vorige Golfoorlog in feite een zelfstandige staat vormde, is de situatie wat dit betreft beter. Washington had aanvankelijk veel hoop gevestigd op hen die Irak waren ontvlucht en nu uit ballingschap terugkeren, maar begint nu in te zien dat velen van hen, na soms decennia verblijf buitenslands, moeite hebben hun weg te vinden in het na-oorlogse Irak.

Een grote moeilijkheid is ook de etnische en religieuze diversiteit in Irak. Tal van tegenstrijdige belangen en aspiraties moeten worden geharmoniseerd. De Koerden, die twaalf jaar feitelijk onafhankelijkheid als een periode van vooruitgang hebben ervaren, hebben al duidelijk gemaakt dat ze alleen een federaal Irak willen accepteren en dat ze niet van zins zijn de eigen strijdmacht zonder meer in een nieuw Iraaks leger te doen opgaan. Zij willen bovendien het tot dusver door hun beheerste gebied uitbreiden tot Kirkuk en gebieden rond Mosul.

Onder Saddam waren de sunnieten – rond 16 procent van de bevolking – de bevoorrechte bevolkingsgroep. De shi'ieten willen dat hun numerieke sterkte in de nieuwe machtsverhoudingen tot zijn recht komt. De shi'ieten zijn overigens onderling sterk verdeeld, niet alleen in uiteenlopende religieuze stromingen, maar ook in hun opstelling ten opzichte van de Amerikaanse bezetter. De onlangs bij een terreuraanslag omgekomen ayatollah Al Hakim had blijk gegeven van een gematigde, zij het gereserveerde houding. Zijn dood zal de opbouw van goede betrekkingen met het shi'itische volksdeel nog gecompliceerder maken.

In een poging om een begin te maken met de staatkundige opbouw van het nieuwe Irak stelde Bremer op 13 juli de `regeringsraad' in, bestaande uit dertien shi'ieten, vijf Koerden, vijf sunnieten, één christen en één Turkmeen. Formeel heeft Bremer het recht van veto inzake de besluiten van deze raad, maar hij heeft al verklaard dat hij van deze bevoegdheid alleen gebruik zal maken als de besluitvorming de binnenlandse veiligheid in gevaar brengt.

Na twee maanden is al gebleken dat de raad als gevolg van interne tegenstellingen uiterst moeizaam opereert.

Inmiddels heeft de verslechterende situatie in Irak Washington ertoe gebracht om de formule te lanceren van de toevoeging aan de bestaande coalitiestrijdkrachten in Irak van een door de Veiligheidsraad te sanctioneren internationale strijdmacht, die echter onder Amerikaans commando zou moeten staan. Zo hoopt men de kans te vergroten op een deelneming van met name islamitische staten aan een bezettingsregime in Irak.

President Chirac en Bondskanselier Schröder hebben echter al laten weten dat aan de VN ook een grotere rol zou moeten worden toegekend inzake de politieke besluitvorming in Irak. Met name van Franse zijde is aangedrongen op versnelde overdacht van bevoegdheden aan een nieuw Iraaks regime. Ik vermoed dat Washington de wenselijkheid daarvan niet zal bestrijden. Het probleem is meer de interne verdeeldheid aan Iraakse zijde die snelle vorderingen op dit punt in de weg staat. De vraag is verder in hoeverre Washington bereid is de VN op essentiële beleidspunten bij de politieke besluitvorming te betrekken. Gezien de ernst van de crisis in Irak zou het uitermate bedenkelijk zijn als de onderhandelaars elkaar niet zouden weten te vinden.

Wat Nederland betreft hoop ik dat kabinet en Kamer de aanwezigheid van Nederlandse troepen in Irak zien als een onontkoombare bijdrage aan de stabilisatie van het land. Nederland zal ook deskundigen ter beschikking moeten stellen wanneer dat kan bijdragen tot de wederopbouw van Irak. Ontwikkelingshulp geven aan een land dat op één na de grootste olievoorraden heeft in de wereld, lijkt op het eerste gezicht niet voor de hand te liggen. Voorshands lijkt het met name gewenst dat op oproepen inzake humanitaire hulp positief wordt gereageerd.

Max van der Stoel is oud-minister van Buitenlandse Zaken en was speciale rapporteur voor Irak van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties.