De wonden zijn vers in Guadalcanal

Een burgeroorlog verlamde de economie van de Solomon Eilanden. Australië probeert met bondgenoten uit de regio puin te ruimen.

Buiten de hoofdstad zijn de sporen van `de spanningen' nog vers. De eerste brug was de frontlijn tussen etnische milities en is half ingestort. Het wegdek is verwaarloosd en de chauffeur moet slalommen om de gaten te vermijden. Het gras in de oprukkende bermen wordt met de hand gemaaid en verbrand door groepjes jongemannen. ,,Ex-militanten'', zegt de gids. ,,Zij worden met buitenlandse hulp ingezet opdat ze niet werkloos rondhangen en opnieuw problemen maken. Dat verbranden van bermgras is trouwens gevaarlijk werk, want de berm is bezaaid met niet ontplofte granaten en munitie.''

We rijden van Honiara, de hoofdstad van de Solomon Eilanden, naar het oosten. Doel van de reis is Gold Ridge, de enige goudmijn van het land, die in 2000, toen `de spanningen' een hoogtepunt bereikten, werd gesloten. Primo Chapa, een veertiger uit het westen van Guadalcanal, die in 1999-2000 als beveiligingsbeambte werkte voor de mijn, wijst de weg. Destijds legden vrachtwagens de veertig kilometer tussen Honiara en Gold Ridge af in een uur. Nu doen we er tweeënhalf uur over.

We volgen eerst de hoofdweg door de noordelijke kustvlakte van Guadalcanal. Die is, zover het oog reikt, begroeid met oliepalmen. Alleen de kruinen zijn nog zichtbaar, want tussen de bomen is het gras hoog opgeschoten en de stammen zijn door klimplanten omstrengeld. Sinds de exodus van plantagepersoneel in 1999 zijn de palmpitten niet meer geoogst.

De ruwe palmolie van Solomon Islands Plantation Ltd. (SIPL) en het goud van Gold Ridge waren, voordat op Guadalcanal een burgeroorlog uitbrak, goed voor het leeuwendeel van 's lands exportinkomsten. De SIPL, een dochter van de Commonwealth Development Corporation (CDC), stelde duizenden Solomonezen – vooral migranten van het eiland Malaita – te werk. Het bedrijf bouwde nederzettingen, scholen en klinieken voor de plantagearbeiders. Daar is niets van over. De Malaitanen werden in 1999 verdreven door milities van de Guale, de oorspronkelijke bewoners van Guadalcanal, en de buitenlandse staf pakte zijn biezen. Gualemilitanten hebben de infrastructuur platgebrand en stukgeslagen en de tropische vegetatie deed de rest.

Na ongeveer 25 kilometer verlaten we de hoofdweg, slaan rechtsaf en rijden de beboste heuvels in. Chapa: ,,Het was eigenlijk geen etnisch, maar een sociaal conflict. De Guale voelden zich tweederangsburgers op hun eigen eiland.'' Het zwaartepunt van de Solomonese economie was Guadalcanal: palmolie-, kokos- en cacaoplantages, houtwinning en een goudmijn. De Malaitanen beheersten de bureaucratie en leverden de meeste arbeiders voor de plantages. De Guale kregen compensatie voor hun land, maar omdat zij niet bereid waren als loonarbeiders te werken op hun eigen grond, genoten zij niet mee van de voorzieningen op de plantages.

De woede-uitbarsting van de Guale en het al even gewelddadige antwoord van de Malaitanen legden de economie lam. Alle buitenlandse investeerders – in de houtwinning, de plantagesector en de mijnbouw – trokken weg. Australië dwong in 2000 een wapenstilstand af tussen de strijdende partijen, maar de milities werden niet ontwapend. Ex-militanten vormden bendes, plunderden de staatskas en de winkels en persten burgers af. Op 24 juli kwamen de Australiërs, met wapens en met bondgenoten uit het Stille-Oceaangebied, orde op zaken stellen.

Op 300 meter hoogte passeren we een uitgebrand gebouwtje. ,,Dit was een post van de bewakingsdienst'', zegt Chapa. ,,Hier controleerden we het in- en uitgaande verkeer van de mijn en sloten we dronken arbeiders op.'' Twee kilometer verder staat de onttakelde fabriek. Het gesteente uit de open mijnput beneden werd via een transportband aangevoerd en hier in een gigantische cilinder met stalen kogels vergruisd. Het ruwe erts werd in tanks met cyanide geloogd. Het eindproduct was ongeraffineerd goud. In 1999, het tweede productiejaar, leverde Gold Ridge 2.900 kilo goud, destijds goed voor 20 procent van het bruto nationaal product van de Solomon Eilanden.

Ross Mining NL uit het Australische Queensland begon in 1997 met de bouw van de infrastructuur en in augustus 1998 werden de eerste baren goud geproduceerd. In 1999 braken er rond de mijn gevechten uit tussen de politie en de Guadalcanal Revolutionary Army (GRA) van Gualekrijgsheer Harold Keke. Daarop werd een politiepost geopend in het mijngebied, maar de productie ging door. In maart 2000 verkocht Ross Mining de Gold Ridge-mijn aan het eveneens Australische Delta Gold. Dat bleek een miskoop.

Op 5 juni 2000, toen Malaitaanse milities een coup pleegden in Honiara en de eerste minister gijzelden, viel Harold Keke met dertig man Gold Ridge aan. Chapa: ,,Er vielen geen doden. De vijftig buitenlandse stafleden – uit Australië en Papoea Nieuw Guinea – werden met klem verzocht te vertrekken.'' Hun nederzetting, een bungalowparkje aan de rand van het mijngebied, werd geplunderd. Guale braken de betonnen bunker waar de goudstaven werden bewaard met explosieven open. Aan de rand van de mijnput staan nu vijftien huizen. Langs de weg treffen we een oudere man, die een lift vraagt. Zijn naam is Samson Golowasu (`goldwasher'). Zijn vader bracht de eerste blanken naar Gold Ridge. Hij laat een flesje zien met 3 gram stofgoud, de opbrengst van twee dagen werken. Dat brengt 45 Solomon dollar op (5 euro).

Vorig jaar kocht Placer Dome uit Canada, een van de grootste spelers in de mijnbouwwereld, Delta Gold, de eigenaar van Gold Ridge. Begin augustus, toen de door Australiërs geleide Regionale Bijstandsmissie voor de Solomon Eilanden (RAMSI) orde op zaken stelde op Guadalcanal, zei Placer Dome voorlopig geen plannen te hebben Gold Ridge te heropenen.