De krant moet eigenwijzer worden

Al geruime tijd ligt de journalistiek onder vuur. Terecht of niet, de beste manier om verwijten van monopolisme en eenvormigheid te bestrijden is te laten zien dat dit niet zo is, vindt Warna Oosterbaan.

Precies twee jaar geleden zat iedereen vastgenageld op de bank. De televisie aan, de krant op schoot. Er was iets verschrikkelijks gebeurd, iets wat buitengewoon angstaanjagend was en waar iedereen alles van wilde weten. Overal ter wereld braken de kijkcijfers alle records en gingen de oplagen van de kranten omhoog.

Het is nu twee jaar later. De kijkcijfers zijn weer op het oude niveau en de oplagen van de kranten zijn weer aan het dalen. Tegelijkertijd neemt de kritiek op de journalistiek toe.

Een paar voorbeelden. Vier jaar geleden beschuldigde de koningin de pers van slordigheden en eenzijdigheid. ,,De leugen regeert'', zei ze zelfs. Vorig jaar schreef de historicus Jan Wieten in een bijlage van het NIOD-rapport over de Srebrenica-affaire dat de verslaggeving over die zaak te veel gemoraliseer en te weinig feiten bevatte. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) bracht begin dit jaar het kritische rapport Medialogica uit. Volgens de Raad wordt het publieke debat slordig en dat komt door de haast, de hypes en de concurrentie van de media. De RMO pleitte voor een jaarlijks verantwoordingsdebat, en voor een instituut dat de berichtgeving over hypes, affaires en heikele thema's moest onderzoeken.

De berichtgeving rond de opkomst en plotselinge dood van Pim Fortuyn heeft ook tot veel kritiek aanleiding gegeven. De communicatiewetenschapper Jan Kleinnijenhuis kwam in een boek over de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 tot de conclusie dat de journalisten zich hebben laten meeslepen door Fortuyn. Ze hebben de hype niet bestreden, maar juist gestimuleerd, vond hij. De advocaten Spong en Hammerstein hadden een heel ander bezwaar: de media hebben Fortuyn gedemoniseerd, vonden ze. Hun strafklacht ligt nu bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Weer anderen vonden dat de media het onbehagen hadden genegeerd waarvan Fortuyn zich de tolk had gemaakt. Aan die klachten zijn er nog wel een paar toe te voegen: de brede verontrusting over de commercialisering van het nieuws, en de opmars van `zacht nieuws' bijvoorbeeld.

Al die kritiek doet de vraag rijzen of er in de journalistiek iets essentieels veranderd is. Was het vroeger beter?

Dat laatste is moeilijk vol te houden. Wie er de Nederlandse kranten uit de jaren zestig bijhaalt, ziet dat er sinds die tijd flinke vooruitgang is geboekt. Niet alleen waren de kranten toen dunner en veel slechter gedrukt, ook inhoudelijk waren ze van mindere kwaliteit. Van eigen nieuws was bijvoorbeeld weinig sprake, de kranten werden voor een groot deel gevuld met de bewerkte berichten van de grote persbureaus. Verder waren de meeste kranten nog druk bezig zich los te maken van de politieke partijen, vakbonden of religieuze organisaties waarmee ze tot dan toe verbonden waren.

Nu, veertig jaar later, zijn alle grote kranten in redactionele zin ongebonden. Dagbladjournalisten hebben zich geëmancipeerd van letterknechten met een beperkte taakopvatting tot zelfbewuste professionals. Ze graven diep in verborgen structuren, ze maken zichtbaar wat anderen het liefst onzichtbaar hielden, ze maken sociale verschijnselen bespreekbaar en ze hebben hun vrijwel exclusieve aandacht voor de overheid verbreed tot een ruimere blik op de samenleving.

Ze hebben zich bovenal ontworsteld aan de ideologische binding die samenhing met de positie van hun krant. In plaats daarvan kwam een binding aan de beroepsgroep, een professioneel journalistiek ethos, een werkhouding waarmee de wereld kritisch en gedistantieerd tegemoet werd getreden.

Dat klinkt allemaal als vooruitgang – en dat is het ook.

Toch is die ontwikkeling naar meer professionaliteit niet alleen maar winst. Ik noem drie problematische aspecten, drie punten waarop de professionele journalistiek nog geen goed antwoord heeft gevonden.

Ten eerste: tijdens die journalistieke professionalisering is dan wel van de expliciete ideologie afscheid genomen, het professionele ethos dat daarvoor in de plaats kwam kan de vroegere ideologie niet helemaal vervangen. Heel wat media-onderzoekers hebben al aangetoond wat in feite zeer voor de hand ligt: dat in de selectie van het nieuws de opvattingen van de journalisten nog steeds een rol spelen. Het nieuws blijft een moreel product, vol impliciete oordelen over wat goed en fout is, over wat gewoon en ongewoon is, over wat mensen moeten weten en wat niet. Misschien is moraal wel een te beladen woord en moeten we spreken van een paradigma: een aantal uitgangspunten die door velen worden gedeeld en een richtlijn verschaffen voor het dagelijks werk. Maar wie bij een krant op zoek gaat naar de formulering van dat paradigma stuit meestal op een blinde muur. Het programma van de krant is niet of nauwelijks vastgelegd of bestaat alleen maar in een zeer elementaire vorm. Mission statements zijn niet erg populair in de journalistiek. Misschien omdat de redacties vinden dat die strijdig zijn met de onbevangenheid die ze van zichzelf verlangen.

Dat is jammer, want daarmee ontnemen redacties zichzelf een mogelijkheid hun journalistieke agenda scherper te formuleren. Niets is zo praktisch als een goede theorie, zei Kurt Lewin al. Een theorie over de samenleving hoeft dat niet te zijn, en al helemaal niet een theorie over de meest gewenste inrichting van de samenleving. Het kan een lijstje zijn met wat de Amerikaanse socioloog Herbert Blumer attenderende begrippen heeft genoemd: begrippen die de aandacht vestigen op maatschappelijke probleemgebieden. Zo'n lijstje, dat zo nu en dan geactualiseerd moet worden, kan voor de redacties een programma van actie zijn en voor de lezers een overzicht van hetgeen ze van hun krant kunnen verwachten. Het is in ieder geval informatiever dan de reclameleuzen waarmee het programma van de kranten nu over het voetlicht wordt gebracht.

Ten tweede. De professionalisering van de journalistiek leidt tot distantie. Het ligt ook voor de hand: een krant spreekt haar lezers niet meer aan als parochianen of partijgenoten, maar bericht in plaats daarvan over burgers. Het gemeenschappelijke waardenpatroon waarvan stilzwijgend kan worden uitgegaan is veel minder specifiek, minder intiem, en daardoor neemt de afstand toe. Daar komt bij dat journalisten er alles aan doen hun eigen waardenstelsel buiten beeld te houden. In plaats daarvan werpen ze graag een koele, soms ironische blik op de werkelijkheid.

Nu is distantie een voorwaarde om op een verhelderende manier over de samenleving te berichten. Sociologen spreken in zo'n geval van een zij-perspectief; een manier van kijken die mensen van een afstand in beeld brengt, en die sociale mechanismen aan het licht kan brengen waarvan de mensen zichzelf vaak niet bewust zijn. Maar wil een zij-perspectief overtuigen, dan moet het gecombineerd worden met een wij-perspectief: een blik van binnenuit. In de journalistiek komen de burgers weliswaar steeds vaker aan het woord, maar helaas vervullen ze in de reportages maar al te vaak vooral een illustratieve functie.

Ten derde. De professionalisering in de journalistiek kan ertoe leiden dat de journalistiek zich steeds meer op zichzelf oriënteert. Die ontwikkeling hangt ook samen met de ontzuiling. In plaats van de ideologie of levensbeschouwing kwam een professioneel journalistiek ethos, dat bovendien steeds breder gedeeld werd. De kranten gingen met elkaar concurreren om dezelfde lezers en dezelfde adverteerders. Maar ook om hetzelfde nieuws en dezelfde primeurs. De concurrentie leidde niet tot pluriformiteit, maar juist tot eenvormigheid.

De onlangs overleden Franse socioloog Pierre Bourdieu gaat in zijn schets van de journalistieke gemeenschap nog een stap verder. Die tamelijk homogene gemeenschap van journalisten, zegt hij, heeft iets wat hen tot een uiterst belangrijke groep in de samenleving maakt: een feitelijk monopolie op de middelen waarmee informatie op grote schaal kan worden geproduceerd en verbreid. En daarmee controleren ze, zegt hij, de toegang tot de openbaarheid. Zo wordt een zwart beeld van de journalistiek getekend: een betrekkelijk homogene groep die de sleutel tot de openbaarheid in handen heeft en niet aarzelt om met die sleutel zo nu en dan de deur af te sluiten.

Misschien overdrijft Bourdieu, maar we kunnen wel vaststellen dat krantenredacties ook zelf voelen dat het geen kwaad kan zo nu en dan verantwoording af te leggen. Zie de proefnemingen met ombudsmannen en krantenrecensenten bij verschillende titels. Zie ook de stijlboeken die door kranten worden uitgegeven en waarin iedereen kan zien aan welke standaarden de krant zich wenst te houden. Zie ook de toegenomen aandacht voor ingezonden brieven en de rubrieken waarin de kranten hun eigen fouten corrigeren. Wat dat betreft lopen kranten voor op bijvoorbeeld de televisie, waar het instituut van de correctie een zeer kwijnend bestaan leidt.

Toch heeft die neiging tot verantwoording haar grenzen. Wanneer buitenstaanders met kritiek op kranten en andere media komen, valt die meestal in dorre aarde. Het reflexief vermogen van de journalistiek is niet sterk ontwikkeld.

Toen de RMO dit jaar met zijn kritische rapport kwam, besteedden de meeste kranten er weinig aandacht aan. En de aandacht die het rapport kreeg gold niet de analyse, maar de suggesties van de RMO. Het Genootschap van Hoofdredacteuren liet bij monde van zijn voorzitter Pieter Broertjes al snel weten dat het weinig zag in een mediaombudsman, een mediawatchinstituut of een verzwaarde Raad voor de Journalistiek. ,,Zelfregulering is vele malen effectiever dan in het openbaar aan de schandpaal te worden genageld'', verklaarde hij. Een opmerkelijke redenering voor iemand die zelf hoofdredacteur van de Volkskrant is, toch een krant die de onthulling niet schuwt.

De beste manier om het verwijt van monopolisme en eenvormigheid te bestrijden is te laten zien dat dit niet zo is. Kranten zouden eigenwijzer kunnen zijn. Ze zouden meer hun eigen agenda kunnen volgen, zich minder kunnen aantrekken van de andere titels en de televisie. Dat voorkomt de `hypes' en de `meutevorming' waar de RMO over klaagt en het draagt bij tot een scherpere profilering van de titels.

Dat maakt de journalistiek aantrekkelijker en daar profiteert de aandacht voor het nieuws van. Dat is goed, want nieuws is te belangrijk om overgeslagen te worden. Ook als het geen 11 september is.

Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad en bijzonder hoogleraar Journalistiek en Samenleving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit is een bekorte versie van de oratie die hij vanmiddag uitsprak bij de aanvaarding van zijn bijzonder hoogleraarschap.

www.nrc.nl/discussie Is de krant wel eigenwijs genoeg?