De geopolitieke factor

Een reisje door de Noorse wateren – daar voelden wij wel voor. En zo schreven wij ons in voor een cruise van ruim een week door de Noorse fjorden. Waar we niet genoeg rekening mee hadden gehouden, is dat het schip dat ons vervoerde, een zeekasteel bleek te zijn, met een kleine achthonderd passagiers aan boord (voornamelijk Engelsen).

Over verzorging en bediening aan boord geen slecht woord. Die waren voortreffelijk. Maar de massaliteit van het gebeuren vergt al gauw veel van je lankmoedigheid, tenzij je er genoegen in schept het geheel als een toneel te bezien, maar daarvoor waren, althans voor mij, de acteurs niet interessant genoeg.

En wanneer het schip die massa over een Noors haventje uitbraakt, waar tientallen bussen staan te wachten om haar naar nog mooiere plaatsen te vervoeren, dan wordt het bijna tot een verschrikking – temeer wanneer er in die fjord nog meer van die zeemonsters blijken te liggen met even veel, zo niet nog meer, passagiers.

Niet dat we medelijden hoeven te hebben met de Noren. Die verdienen goed aan die termietenplagen, en dat terwijl ze al, nadat er olie in hun wateren gevonden is, tot de rijkste landen van Europa behoren. Bovendien bevestigen de weinige Noren met wie je in aanraking komt, de indruk die je al van ze had: die van aardige, rustige, bescheiden mensen.

Maar de fjorden zelf? Het landschap? Mooi natuurlijk of liever: overweldigend. Naar mijn smaak – maar smaken verschillen – te overweldigend. Mij persoonlijk ligt een landschap meer dat bevattelijker is, meer op menselijke schaal, waar the hand of man herkenbaar is. Zoiets als het Engelse Lake District of de Europese middengebergtes. (De gevoelens die je eigen, Nederlandse, landschap opwekt, worden door zovele bijkomende factoren, zoals jeugdherinneringen, bepaald, dat dit hors concours is.)

Maar varend door die fjorden, met slechts hier en daar een huis of een dorp, ga je je gedachten maken over de plaats van Noorwegen in Europa, waartoe het aardrijkskundig behoort. Het is een groot land; de afstand van de zuidpunt tot de Noordkaap is even groot als die van Amsterdam tot Sicilië. Het is dun bevolkt en eigenlijk alleen maar over zee of door de lucht te bereiken.

Is het een wonder dat de bevolking van zo'n land zich weinig aangetrokken voelt tot `Europa'? Dat zij meer bezig is met de problemen van de interne samenhang van die sliert die hun land is, dan met die van Europa's eenheid? Niet dat zij isolationistisch is: door de grote emigratie in de negentiende eeuw zijn haar banden met Amerika groot, en ook Engeland en Schotland liggen dichterbij.

Dat Noorwegen geen Zwitserland is, heeft het getoond door het actieve beleid dat het gevoerd heeft om Israël en de Palestijnen bijeen te brengen. Met een stille diplomatie heeft het toen meer bereikt dan het in inwonertal grotere Nederland, dat altijd zo prat gaat op zijn bruggenbouwerschap. Dat de akkoorden van Oslo een dode letter zijn gebleven, ligt niet aan de Noren.

Het is dus vooral in zijn verhouding tot het vasteland van Europa dat de Noren afstand houden, en daarbij speelt de geopolitieke factor een belangrijke rol. Dat besef krijg je al varend langs Noorwegens grillige kust bijna lijfelijk bijgebracht. Waarom zouden zij aansluiting bij Europa zoeken? Hun economie dwingt hen er niet toe, want ze zijn rijk. Affiniteit voelen ze meer met Engeland en Amerika. Noorwegen is zelf, for all practical purposes, een eiland – dat verder van het vasteland af ligt dan Engeland.

In zo'n geval primeert de geopolitieke factor. Andere landen zijn geografisch weliswaar ook min of meer een aanhangsel van Europa – Zweden en Finland bijvoorbeeld – maar hier geven andere factoren voorlopig de doorslag ten gunste van de aansluiting bij Europa: de economie bijvoorbeeld of/en de nabijheid van de Russische kolos. Maar zelfs hier gaat het niet altijd van harte, getuige de weerzin van de meeste Zweden jegens de euro, hoewel hun economie daar om vraagt.

Het is natuurlijk niet uit te sluiten dat op den duur zelfs een land als Noorwegen gedwongen zou worden zich aan te sluiten bij de Europese krachtcentrale, maar dan moet eerst blijken dat Europa inderdaad een krachtcentrale is. Op politiek gebied is het daar nog ver van af, en de manier waarop Frankrijk, Duitsland en Italië het Stabiliteitspact aan hun laars lappen, doet menigeen eraan twijfelen of van de euro wel die magnetische kracht uitgaat die haar – volgens een vulgair-marxistische redenering – is toegedicht.

Als minister-president Raffarin Frankrijks veronachtzaming van de regels van het Stabiliteitspact verdedigt door eraan te herinneren dat het zijn eerste plicht is te zorgen voor de werkgelegenheid in zijn eigen land en dat hij niet van plan is rekenschap af te leggen aan ,,een of ander bureau in een of ander land'' – waarmee hij alleen maar de Europese Commissie kan bedoelen – dan vergroot hij, zacht gezegd, niet de aantrekkelijkheid van Europa.

Kortom, als de grote Europese landen zelf zo'n voorbeeld geven, dan zijn de Noren zo gek nog niet wanneer ze afstand tot Europa bewaren. Niet dat Nederland hun voorbeeld moet volgen. Om allerlei – niet in de laatste plaats geopolitieke – redenen zou Nederland dat niet kunnen, als het dat al zou willen.

Daarom had minister De Hoop Scheffer gelijk toen hij vorig weekeinde zei dat, als Parijs, Berlijn, Londen en Madrid het eens zijn over buitenlands beleid, de kleinere staten, waaronder Nederland, ,,van goeden huize moeten komen om te zeggen: dat doen we zo niet''.

Dit is een waarheid als een koe. Maar die vier groten worden het niet zo gauw eens. Bovendien zullen Rome en Warschau zeker dwarsliggen als zij niet ook tot de groten gerekend worden, wat de totstandkoming van één Europees buitenlands beleid nog moeilijker maakt. Waarom dus die drukte over De Hoop Scheffers uitspraak? Het enige wat hem misschien verweten kan worden is dat hij het gezegd heeft.