`Criteria voor spreiding moeten zakelijk zijn'

Er zijn al eerder pogingen tot spreiding van allochtonen gedaan. Maar ze botsten op juridische bezwaren. Toch zijn er mogelijkheden.

De Rotterdamse gemeenteraad debatteert vanmiddag over de spreiding van kansarmen over de stad. Nieuw is het debat over een spreidingsbeleid voor kansarmen niet. In 1972 vatte de gemeenteraad van Rotterdam al het plan op om maximaal vijf procent allochtonen toe te staan per wijk. Aanleiding waren rellen in de Rotterdamse Afrikaanderwijk. De hier wonende gastarbeiders werden het slachtoffer van Rotterdammers die gefrustreerd waren over het feit dat de gastarbeiders binnen afzienbare tijd woningen kregen toegewezen, terwijl de autochtone bevolking daar tijden op moest wachten. Het voornemen werd echter door de Kroon vernietigd en nooit uitgevoerd.

Ook de gemeente Tilburg heeft ooit een spreidingsbeleid overwogen. Tien jaar geleden bracht Alis Koekkoek, hoogleraar Staatsrecht aan de Universiteit van Tilburg en Eerste-Kamerlid namens het CDA, het advies Plaatsingsbeleid bij woningtoewijzing en discriminatie uit over de mogelijkheden van het spreiden van allochtonen. Dit advies volgde op een nota `Inplaatsingsbeleid' van de gemeente na weigering van buurtbewoners om een allochtoon gezin in hun buurt te accepteren. Wat er met zijn advies gebeurd is, weet hij niet. Wel dat hij de raad kenbaar maakte dat onderscheid en toewijzing van een woning op grond van etniciteit ,,niet voldoet aan de geldende non-discriminatiebepalingen.''.

De afgelopen dagen zag hij de krantenkoppen voorbijkomen. `Allochtonenstop' en `Rotterdam wil spreiding allochtonen'. ,,Kan absoluut niet'', reageert hij. ,,Onderscheid, en dus spreiding, op grond van etniciteit is juridisch onmogelijk omdat het indruist tegen artikel 1 van de Grondwet.''

Verschillende betrokken partijen weten dat en hebben het woord allochtonen vervangen door het woord kansarmen, als een eufemisme voor allochtonen. Maar volgens de hoogleraar moet je oppassen dat bij het formuleren van de criteria en begrippen waarop een spreidingsbeleid zou rusten, geen sprake is van indirecte discriminatie. ,,Je kunt wel zeggen dat je zakelijk criteria hebt geformuleerd, maar als die vervolgens alleen allochtonen raken, discrimineer je alsnog.''

Indirecte discriminatie mag niet, positieve discriminatie wel. Aan de gemeente Tilburg adviseerde Koekkoek in 1993 om allochtonen ,,relatief betere woningen'' aan te bieden waardoor ze een woning in ,,een andere dan de door hen gewenste buurt aanvaarden''. Zo zou de gemeente indirect toch invloed kunnen hebben in de bevolkingsopbouw van een wijk. Dwang kan namelijk niet, zegt Koekkoek en pakt om dat te bewijzen het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) er bij. ,,In protocol 4, artikel 2 van dit verdrag staat dat `een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, binnen dat grondgebied het recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen'.''

Van positieve discriminatie zal in Rotterdam geen sprake zijn. Desondanks zijn er wel degelijk juridische mogelijkheden om door sturing tot een ,,evenwichtige opbouw van een wijk'' te komen, denkt Koekkoek. Op het EVRM mogen beperkingen gemaakt worden als deze gerechtvaardigd worden door een aantal belangen in een democratische samenleving, zoals handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. En verloedering, overlast en criminaliteit zijn in de ogen van de hoogleraar een goede reden om beperkingen te stellen.

Vervolgens zou een spreidingsbeleid gebaseerd moeten worden op de Huisvestingswet. Deze wet van 1 oktober 1992 is ingesteld ,,(..) ter bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte (..)''. Koekkoek: ,,Je kunt aannemelijk maken dat om dit te bereiken een spreidingsbeleid nodig is.''

Het moeilijkste punt is het formuleren van de criteria voor de spreiding. ,,Deze moeten zo zakelijk mogelijk zijn. Wil je in een wijk bijvoorbeeld niet negentig procent werklozen, dan hanteer je als criteria werk, opleidingsniveau en inkomen. Dat is geen discriminatie, dat gaat dwars door alle bevolkingsgroepen heen.''

Selecteren op een criminele achtergrond stuit volgens hem wel op bezwaren. De Wet justitiële documentatie staat het namelijk slechts toe om bij zwaarwegend belang gegevens over het justitieel verleden van iemand te verstrekken. ,,Het is natuurlijk maar de vraag of het toewijzen van een woning daar onder valt.''

Toch kan hij zich voorstellen dat je ,,een etterbak die de wijk verziekt'' naar een andere wijk wilt verplaatsen. Hij ziet daar een taak voor het justitiële apparaat. In het driehoeksoverleg van een korpschef, burgemeester en officier van justitie van een gemeente zouden zij kunnen afspreken zogeheten draaideurcriminelen een verplichte verhuizing op te leggen als straf. ,,Het criterium is dan de veelpleger, de motivatie dat de concentratie van dit soort personen in een wijk niet goed is voor het evenwicht.''

Koekkoek wil vooropstellen dat er genoeg andere instrumenten zijn dan woonruimteverdeling om de verloedering en criminaliteit in bepaalde wijken aan te pakken. ,,Met bijvoorbeeld gevarieerd bouwen kun je ook al problemen aanpakken. Het moet niet zo lijken alsof een spreidingsbeleid opeens het ei van Columbus is.''