11 september als excuus voor grootheidswaan

Nog jarenlang zullen politici, en vooral de bewoners van het Witte Huis, de verleiding niet kunnen weerstaan om 11 september te gebruiken als rechtvaardiging voor elke zaak waar ze zich sterk voor maken, meent Steven C. Clemons.

11 september 2001, de dag die `alles veranderde', is uitgegroeid tot een cliché, een reden tot impulsiviteit in de Amerikaanse binnenlandse en buitenlandse politiek die elk ander land op zijn kop zou zetten. Van een dag van verlies en bloedvergieten is 11 september omgevormd tot een roep om actie, een rechtvaardiging om wild uit te halen, om burgerlijke vrijheden te beknotten en om de beperkte middelen aan te wenden voor een defensiebegroting die op de lachspieren werkt. 11 september is inmiddels het excuus voor Amerikaans imperialisme en nationale grootheidswaan; het heeft het anticommunisme vervangen als motor van het buitenlands beleid en drijfveer tot binnenlandse offers. 11 september wil zeggen `optreden', de boeven grijpen, ongeacht de prijs, in geld of anderszins.

Twee jaar geleden werd het hart van Amerika verscheurd toen duizenden omkwamen in gekaapte vliegtuigen en de gebouwen die ze verwoestten. De massamedia stuurden de gruwelbeelden naar elke uithoek van de wereld. De Amerikaanse geobsedeerdheid door reality-tv en de alomtegenwoordigheid van digitale camera's en instant-deskundigen hebben van 11 september een beroemde tragedie gemaakt – en wel zozeer dat het hét ijkpunt zal zijn voor deze en toekomstige generaties. Nog jarenlang zullen politici, vooral de president en aspirant-bewoners van Witte Huis, de verleiding niet kunnen weerstaan om 11 september te gebruiken als rechtvaardiging voor elke zaak waar ze zich sterk voor maken.

11 september heeft voor het presidentschap van Bush zelfs wonderen gedaan. Het heeft Bush helpen ontsnappen aan zijn `morele aansprakelijkheid' voor het schandaal met Enron en zijn topman Kenneth Lay, en hem de kans geboden presidentieel over te komen op manieren die voor een rijke zoon van een oud-president normaal niet weggelegd zouden zijn. Het heeft hem militaire fotosessies opgeleverd, en herhaalde televisiespotjes op prime time waarin hij zich kon wenden tot een Amerikaans publiek dat verdriet had en boos was op degenen die voor 11 september verantwoordelijk waren – eerst Osama bin Laden, toen Saddam Hussein.

Helaas gaat 11 september niet meer om de slachtoffers; het gaat om mogelijkheden en om politiek. 11 september – en alle woede, pijn en gerechtvaardigdheid die in die datum besloten liggen – wordt door de president omhooggehouden als een schild van onfeilbaarheid, waarvan iedereen profiteert die zich haastig bij de kruistocht van de president aansluit. 11 september is de strijdkreet voor een daverende wereldoorlog tegen schurkenstaten, dictators en terroristen; voor enorme defensiebegrotingen die slecht zijn afgestemd op de bestrijding van de echte gevaren van asymmetrische dreigingen; en voor een overweldigende groei van de presidentiële zeggenschap in binnenlandse en internationale aangelegenheden, waardoor de controle op de uitvoerende macht zozeer is verstoord dat ze nog maar zwak of geheel afwezig is.

De ware invloed van 11 september op de Amerikaanse buitenlandse en binnenlandse politiek is pas over jaren ten volle te beoordelen, maar één patroon is duidelijk. Een wezenlijk slachtoffer van 11 september is een wereld van vertrouwen. In de jaren negentig werd de wereld verbonden door de razendsnelle uitwisseling van mensen, ideeën, technieken, communicatielijnen en financiën, in een proces dat door sommigen werd bestempeld als mondialisering en door anderen als Amerikanisering of homogenisering. Voor een bloeiende mondialisering moest het vertrouwen groeien en moesten de deelnemers in de uitbreiding van het mondiale netwerk snel in aantal toenemen.

11 september toonde aan dat het heel lang duurt om vertrouwen op te bouwen, maar dat het van de ene op de andere dag kan verdwijnen. De instellingen en vermogens van de mensen die vertrouwen opbouwen, hebben te lijden gehad en zullen nog meer te lijden krijgen in vergelijking tot de instellingen en personen die er in tijden van spanning en angst op vooruitgaan.

Het komende begrotingsjaar is het Amerikaanse defensiebudget gelijk aan de defensie-uitgaven van alle andere landen op de wereld. De mondiale uitgaven op militair gebied beslaan naar schatting 850 miljard dollar, en het Amerikaanse defensiebudget voor het begrotingsjaar 2004 heeft een omvang van 400 miljard dollar. Dat is bijna de helft van de defensie-uitgaven die wereldwijd worden gedaan. En dit gold voor het verzoek van president Bush om nog eens 87 miljard dollar ter ondersteuning van de Amerikaanse inzet in Irak en Afghanistan, waarvan 65 miljard naar het ministerie van Defensie gaat. Hierdoor zal het Amerikaanse aandeel in de mondiale bestedingen aan defensie zelfs tot 55 procent oplopen. Zo zal meer dan 4,5 procent van de wereldbevolking ruim de helft van alle militaire uitgaven op de wereld betalen.

11 september heeft de politieke winnaars en verliezers in Washington opnieuw gerangschikt, heeft de belofte van een mondiale, samenhangende ontwikkeling en welvaartsgroei hoogst dubieus gemaakt en heeft tot gevolg gehad dat Amerika slecht voorbereid lijkt op een complexe wereld. De Amerikanen moeten hun leiders verantwoordelijk houden voor het onderkennen van bonafide kansen om de uitdagingen in de wereld na 11 september tegemoet te treden en voor het verwerpen van opportunistische en roekeloze maatregelen de Amerikaanse burgermaatschappij en onze nationale belangen ondermijnen. Anders zullen de Verenigde Staten een zwakkere wereldgrootmacht worden dan ze verdienen te zijn.

Steven C. Clemons is verbonden aan de New America Foundation, een denktank in Washington.