Vooruitblik op het seizoen

`Tevreden en gelukkig mort het volk', luidt de kop waarin deze krant het nieuwste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau samenvat. De meesten vinden dat ze persoonlijk een gelukkig leven hebben, maar 65 procent is van mening dat de overheid het er meer of minder bij laat zitten. Drie jaar geleden bleek uit een onderzoek dat 75 procent `fluitend naar zijn werk gaat', en ook toen al deed de overheid volgens 35 procent belabberd werk. De conclusie ligt voor de hand: de prestaties van de overheid zijn niet van invloed op het persoonlijk geluk. Of wat ook mogelijk is: morren is van het geluk een bestanddeel. Nog een stap verder: een overheid die alles doet zoals ze het moet doen, maakt de mensen juist ongelukkig. Als dat zo is, dan hebben we op het ogenblik overheden die alles doen om ons geluk te bevorderen. Zo gek kun je het niet opnoemen, Schiphol, de veendijken, straatroof, dakloze gehandicapte jongeren en bejaarden aan de drank, nog fluitender gaan we naar het werk, voorzover het niet is opgeheven.

Waarschijnlijker is dat de meeste mensen uit twee compartimenten bestaan: het persoonlijke, dat ze zelf kunnen inrichten, en het publieke, waarin ze zijn aangewezen op overheden en `instanties'. Die, leert hun ervaring van jaren, kunnen ze niet beïnvloeden. Daar begint het onbereikbare rijk van `de politiek', en, vergeet het niet, van de corporate governance, de hoogste bestuurskringen van het bedrijfsleven. Probeer daar niet binnen te dringen. Al zou het je lukken, je begrijpt die lui toch niet. Ze spreken een andere taal, ze rekenen anders; je blijft een eenling, een vreemde. Kafka; met dit verschil dat in de loop van de laatste tientallen jaren de meeste mensen erin zijn geslaagd in redelijke onafhankelijkheid hun eigen leven te bepalen. Dat komt door de gestaag gestegen welvaart, die aan niemand in het bijzonder te danken is. Kafka, maar dan zonder de afloop in het uitzichtloze.

De toestand van nu, aan het begin van het seizoen, lijkt veel op die van een jaar of twee, drie geleden. Leg een paar kranten uit die dagen naast die van vandaag, gisteren en morgen. De tijd heeft stilgestaan. Rectores magnifici waarschuwen dat Nederland achterop raakt, een hooggeplaatste mevrouw verschijnt om de analfabeten lezen en schrijven te leren, de horeca heeft gebrek aan nooduitgangen, nieuw onderzoek naar kosten Betuwelijn, geluidshinder Schiphol ondragelijk (rekenfout!), files, zware criminaliteit rukt op, huurmoordenaars, vervalste pillen. De burger staat bloot aan een bombardement van slecht nieuws, maar blijft gelukkig.

Toen de grote meerderheid fluitend naar het werk ging, beleefde het poldermodel in toenemende stagnatie zijn laatste maanden. De coalities onder wier politieke hoede het land in de jaren negentig zo welvarend was geworden, waren versleten. De welvaart zal niet alleen aan hun leiderschap te danken zijn geweest, maar ze hadden in ieder geval kundig gebruikgemaakt van de mondiale trends. In de laatste maanden van de versnelde neergang diende de eens bewierrookte politieke polderelite als schietschijf voor media en massa. Er broeide weer iets in de Nederlandse politiek, het werd er explosief zoals in de jaren zestig. Pim Fortuyn, begaafd demagoog met het juiste populistische programma, kwam op de juiste tijd om daarvan op de doeltreffendste manier gebruik van te maken.

In de opwinding zagen weinigen dat het met die revolutie niets zou worden, en van die weinigen waren er nog minder die de moed bleven houden om dit duidelijk uit te leggen. Bart Tromp noem ik met ere. Na de moord volgde de razernij, de LPF ontmaskerde zich vanzelf. Toen was ook de `opstand van de kiezers' verbruikt, en daarop kon niets anders volgen dan de restauratie. Die was dan ook hoognodig. Maar restauratie op zichzelf is niet voldoende. De grote vraag was, welke vorm die zou krijgen. En nu beginnen we te vermoeden: niet de beste – om het vriendelijk te zeggen.

Zoals het bewind van Wim Kok het geluk had het land te leiden in een periode van mondiale voorspoed, zo heeft, mutatis mutandis, Jan Peter Balkenende het niet getroffen met de wending die de wereldeconomie en -politiek sinds zijn verschijning heeft genomen. Met dat voorbehoud lijkt dit niet het eerst aangewezen gezelschap dat je bij noodweer op de brug wilt zien (om het op z'n oudvaderlands uit te drukken). Vergeleken met een jaar of twee geleden ziet alles, niet alleen hier, ook in de rest van de wereld er veel somberder uit. De wachtlijsten voor de zorg, waartegen toen Fortuyn en de zijnen ten strijde trokken zijn vervangen door de werkloosheid. Onkwetsbaar geachte bolwerken van het nationale bedrijfsleven, Albert Heijn, V&D, dreigen in de malaise te bezwijken. Op het grote mondiale front, in de strijd tegen het internationale terrorisme, zien we hoe het Westen met wereldleider George W. Bush het initiatief uit handen glipt.

Dit geheel zal de overigens zo gelukkige Nederlandse burger niet verborgen blijven. Niet onmogelijk dat er weer `iets broeit', dat er zoals twee jaar geleden een nog vormeloze politieke energie ligt opgehoopt. Het verschil met toen is dan, dat er nu niemand in zicht is, die daar richting aan kan geven. De premier zelf? De laatste keer dat we hem in een markante rol hebben gezien, aan het ontbijt bij de wereldleider, maakte hij een wat sneue indruk. Wouter Bos, handen drukkend in de wijken en de buurten? Geen volkstribuun. Jan Marijnissen? Die wel, maar met een programma waarvoor de gelukkige burgerij nog te voorzichtig is, of andersom. Afwachten wat de Troonrede brengt. Veel broekriem aanhalen. Zoals het er nu naar uitziet, zal ons seizoen worden geopend met het vooruitzicht op een langzaam verdergaande politieke Verelendung. Volgens Marx het noodzakelijke voorstadium van de revolutie.