Een rebel strandt in de ongenaakbare sneeuw

Er zijn in de filmgeschiedenis al heel wat rebels without causes voorbijgetrokken, maar Nói heeft misschien wel de moeilijkste plek uitgezocht om in opstand te komen. Je wilt weglopen, maar je glijdt uit in de alomtegenwoordige sneeuw. Of je wilt een bank overvallen, maar iedereen in het dorp weet dat je die rare Nói bent, van wie ze alles kunnen verwachten, en dus zijn ze alleen maar boos dat je met een geweer zwaait, geen sprake van dat iemand je de inhoud van de kluis zal geven.

De zeventienjarige Nói woont in een IJslands dorpje, aan een fjord en onder een ongenaakbare sneeuwberg, bij zijn oma en zijn vader, een would-be rebel die van Elvis (beschermheilige van alle rebellen) droomt en tussen dronken buien door taxi rijdt. Hij sjokt wat heen en weer tussen school, waar hij vooral met zijn kale hoofd op tafel ligt, de boekhandel, waar hij briljant Mastermind blijkt te spelen, en de kelder onder zijn huis, waar hij rust zoekt.

Zijn zoeken lijkt richting te krijgen als hij Iris ontmoet, de dochter van de boekhandelaar, die in het benzinestation komt werken. Er ontstaat ook wel iets van liefde, maar op het beslissende moment is ze toch minder rebels dan Nói – of Nói is niet degene met wie ze rebelleren wil.

De kracht van dit speelfilmdebuut van regisseur Dagur Kári, op festivals her en der bekroond, ligt in de consequente benadering van de wereld vanuit het standpunt van Nói. Er zijn wel scènes waar hij niet in voorkomt, maar hij krijgt altijd op een of ander moment met de gebeurtenissen of het besprokene in die scènes te maken. En dan dwingt hij ons de betekenis ervan opnieuw onder ogen te zien.

Ook de dialogen worden gedicteerd door Nói. De psycholoog die de wanhopige schooldirecteur op hem afstuurt en die na een paar 'onschuldige' vragen wil weten of Nói vaak masturbeert, moet eerst zeggen of hij het zélf vaak doet. En als Iris bij de eerste ontmoeting in het winkeltje van het benzinestation vraagt: ,,Drink je je biertje hier op?'', vraagt Nói: ,,Heb je dat graag?'' ,,Maakt mij niet uit'', zegt Iris. ,,Waarom vraag je het dan'', zegt Nói, logisch en egocentrisch tegelijkertijd.

Deze sneeuwwereld is zíjn wereld, misschien nog wel meer dan hij beseft. Tot hij van school wordt gestuurd (omdat hij zich in de klas laat `vertegenwoordigen' door een opname-apparaatje), hij Iris verliest en zijn ontsnapping strandt in de sneeuw. En dan, als hij helemaal geen uitweg meer weet, trekt hij zich terug in zijn kelder en verdwijnt de wereld. Letterlijk, zodat Nói met schone lei kan beginnen.

Dagur Kári heeft de droefenis met humor vermengd en de weemoed met brutale vitaliteit - precies zoals dat hoort in de grensstreek van zeventienjarigen. Nói is zelfverzekerd en verlegen, vindingrijk en radeloos. Tómas Lemarquis maakt van hem in al die facetten een dwingende persoonlijkheid, steeds van onderuit de wereld inkijkend. Spottend als zijn vader zegt: ,,Wij zijn wel een te gek team, he, wij twee?'' Wanhopig als de directeur hem ten slotte van school stuurt.

Kári toont zich een subtiele filmer. Klein voorbeeld: Nói trekt zich regelmatig terug in een keldertje onder zijn huis. Hij rolt daartoe een tapijtje op, opent het luik, sluit het weer en het tapijtje rolt met een flebberdefleb-geluid terug op zijn plaats. De tweede keer dat Nói in zijn kelder stapt, volgt de camera hem en hóren we alleen nog het flebberdefleb-geluid boven zijn hoofd.

En die ene keer dat Kári de humor ruim baan geeft, levert dat zo'n sterk beeld op – tijdens een smerige kooksessie met veel gehakte lever en kokend bloed, stort Nói per ongeluk de hele ketel bloed over zijn vader en oma uit – dat je de subtiliteit wel even kunt missen.

Nói Albinói. Regie: Dagur Kári. Met: Tómas Lemarquis, Elin Hansdóttir, Thröstur Leó Gunnarsson. In: Filmmuseum Cinerama, Rialto en Kriterion, Amsterdam; Haags Filmhuis; Images, Groningen; Lux, Nijmegen; Lantaren/Venster, Rotterdam; 't Hoogt, Utrecht.